5.5 WIE IS BEREID OM VOOR EEN LEUGEN TE STERVEN? - Gefundeerd Geloof

Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

Is Jezus God? > De Opstanding
 Bewijsstuk 9: Wie is bereid om voor een leugen te sterven?
In het begin van zijn bediening koos Jezus twaalf discipelen uit die later als zijn apostelen dienden. Zoals zowel geschiedenis als overlevering ons leren, zijn allen, behalve Johannes, voor hun geloof gemarteld en een gewelddadige dood gestorven. Hun dood is de ultieme getuigenis. Dat is eigenlijk waar ons woord martelaar zijn oorsprong vindt. Het komt van het Griekse werkwoord μαρτυρέω (martureo) wat ‘een getuige zijn’ of ‘getuigen van’ betekent.

Sceptici zullen echter onmiddellijk beweren dat mensen dagelijks sterven voor wat ze geloven, als onschuldige slachtoffers, als het resultaat van onderdrukking, of zelfs opzettelijk zoals een fanatieke moslim die zichzelf (en anderen) met een bom opblaast. Sterven voor je geloof bewijst niets over de waarheid van de opstanding.

Wacht even. Is dat wel waar? Wat is het verschil tussen een apostel van Christus die vanwege zijn geloof de marteldood stierf en een hedendaagse fanatieke moslim die zichzelf en anderen met een bom opblaast? Inderdaad, beiden stierven voor hun geloof. Een heel duidelijk verschil echter is dat de apostelen door anderen werden gedood, terwijl de zelfmoordenaar zichzelf met een bom van het leven berooft. Bovendien handelden de apostelen uit liefde, terwijl de zelfmoordenaar door haat wordt gemotiveerd. Er is echter nog een belangrijk verschil. Beiden stierven voor waar ze in geloofden; echter, de zelfmoordenaar met de bom baseerde zijn overtuiging op wat anderen hem vertelden dat waar was, terwijl de apostelen hun geloof baseerden op wat ze zelf hadden ervaren, de opstanding van Jezus! Zij geloofden niet alleen dat de opstanding waar was, ze wisten dat die waar was.

Herinnert u zich nog wat er gebeurde toen Jezus in de hof van Getsemané gevangengenomen werd? ‘Toen lieten al de discipelen Hem alleen en vluchtten’ (Matteüs 26:56). Ze waren overmand door angst en bang dat ze ook gevangengenomen zouden worden. Waarschijnlijk renden ze allemaal een andere kant op, wegvluchtend van Jeruzalem in de richting van Betanië. Na deze (in eerste instantie) laffe reactie konden alleen Petrus en Johannes blijkbaar genoeg moed bijeen vergaren om naar Jeruzalem terug te keren om te zien wat er was gebeurd. Petrus ontkende drie keer iets van Jezus af te weten (zoals volgens alle vier evangeliën door Jezus was voorzegd). Alleen Johannes was op de plaats van de kruisiging aanwezig (Johannes 19:25-27). 
Toen Jezus gevangengenomen werd, voor het gerecht werd gesleept en werd gekruisigd, waren zijn volgelingen ontmoedigd en terneergeslagen. Ze hadden niet meer het vertrouwen dat Jezus door God was gezonden (hoe kon God toestaan dat zijn Zoon werd gekruisigd?). Ze verwachtten zeker geen opstanding. Ze hielden zich gedeisd en verspreidden zich. Precies zoals de Joden dit hadden gepland, stierf de oorspronkelijke Jezus-beweging aan het kruis.

Na slechts een korte tijd was er een totale ommekeer in hun gedrag. Iets wonderbaarlijks transformeerde deze bange en onzekere mannen in kordate en dappere apostelen. We zien dat ze hun beroep opgeven en zichzelf volledig toeleggen op het verspreiden van een heel specifieke boodschap: Jezus was de Christus, de Messias van God die aan het kruis was gestorven, uit de dood was opgestaan en door hen was gezien. Ze gaven de rest van hun leven om dit te verkondigen zonder hiervoor, vanuit een menselijk oogpunt bekeken, een enkele beloning te ontvangen. Ze leidden een leven vol ontberingen; waren vaak zonder eten, moesten slapen terwijl ze waren blootgesteld aan de elementen, ze werden bespot en leefden onder de constante dreiging om in elkaar geslagen te worden of te worden gemarteld. Deze verandering in gedrag kan alleen maar worden verklaard uit het feit dat ze overtuigd waren – zonder enige vorm van twijfel – van het feit dat ze Jezus uit de dood hadden zien opstaan. Er is geen enkele andere verklaring mogelijk

De ultieme getuigenis van de apostelen

 

Wie

Hoe is hij gestorven

Bron

Simon Petrus

Gekruisigd in Rome rond 66/67 AD

Traditie, Clemens van Rome

Jacobus, zoon van Zebedeus

Vermoord door Herodes Agrippa rond 44 AD

Handelingen 12:1-2

Johannes

Stieft op oude leeftijd in Efeze rond 100 AD

Traditie

Andreas

Gekruisigd aan een X-vorming kruis in Griekenland, rond 69 AD

Traditie /legende

Filippus

Stierf een natuurlijke of martelaarsdood in Hiërapolis, Turkye

Traditie /legende

Bartholomeus

Levend gevild en onthoofd in Armenië in 68 AD

Traditie

Matthëus

Gedood met een speer in Ethiopië in 60 AD?

Legende

Thomas

Gedood met een speer in India

Traditie /legende

Jacobus van Alfeus

Gestenigd in Jeruzalem of gekruisigd in Perzië?

Legende

Lebbeus

Meerdere legenden over zijn martelaarschap

Legenden

Simon Kananites

Gekruisigd in Engeland of vermoord in Perzië?

Traditie /legenden

Zij waren degenen die de levende Jezus persoonlijk hadden ontmoet. Ze waren uniek. Deze mannen wisten dat de opstanding een feit was – het was niet iets dat ze louter door geloof aannamen. Ze waren niet overtuigd door iemand anders, maar ze hadden persoonlijk tijd met de opgestane Jezus doorgebracht. Ze kenden de waarheid en waren bereid ervoor te sterven. Wanneer ze hadden geweten dat het niet waar was, zou het bijzonder onwaarschijnlijk zijn dat ze dit hun leven lang zouden volhouden en uiteindelijk zelfs bereid waren om voor een leugen te sterven. Zou u voor een leugen willen sterven?

Het bewijs van de opvallend veranderende levens van de apostelen na hun ontmoeting met de opgestane Jezus is een betrouwbaar historisch gegeven. Hun getuigenis is zo solide en overtuigend dat zelfs kritische en ongelovige sceptici dit accepteren: ‘Het enige waarvan we in historische zin absoluut zeker kunnen zijn, is dat er opstandingsverschijningen in Galilea (en in Jeruzalem) kort na het overlijden van Jezus waren. Deze verschijningen kunnen niet worden ontkend.’
 Bewijsstuk 10: De bekering van Saulus tot Paulus
De apostel Paulus die gemeenten door heel Azië en Europa stichtte, wiens zendingsreizen vele pagina’s in het boek Handelingen vullen en die grote delen van het Nieuwe Testament schreef, was in eerste instantie een fanatieke christenvervolger.
Paulus, die eerst bekendstond als Saulus van Tarsus, wordt in het Nieuwe Testament geïntroduceerd tijdens het stenigen van Stefanus (Handelingen 8:1), een van de zeven hellenistische diakenen, rond het jaar 34 n.Chr., slechts ongeveer twaalf maanden na de opstanding.
Even daarna lezen we: ‘En Saulus verwoestte de gemeente, en hij ging het ene huis na het andere binnen en sleurde mannen en vrouwen mede, en hij leverde hen over in de gevangenis’ (Handelingen 8:3). In een poging om de agressieve Joodse vervolging van de jonge christelijke beweging uit te breiden reisde Saulus naar Damascus. Hij had zelfs aanbevelingsbrieven van de hogepriester bij zich, die hem moesten helpen om meer christenen op te pakken. Echter, op weg naar de stad ontmoette hij de opgestane Jezus. Een paar dagen later werd hij gedoopt en gevuld met de Heilige Geest (Handelingen 9). Paulus omschrijft zijn spectaculaire bekering in zijn eigen woorden in de brieven aan de gemeenten in Korinte (1 Korintiërs 15:9-10), Galatië (Galaten 1:12-23) en Filippi (Filippenzen 3:6-7).

In het begin was de jonge kerk begrijpelijkerwijs zeer achterdochtig ten aanzien van de bekering van Paulus. Zelfs de apostelen waren terughoudend om hem te ontmoeten toen hij, voor de eerste keer na zijn bekering, naar Jeruzalem terugkeerde: ‘Daarop ging ik drie jaar later naar Jeruzalem, om Kefas te bezoeken, en ik bleef vijftien dagen bij hem; en ik zag geen ander van de apostelen dan Jakobus, de broeder des Heren’ (Galaten 1:18-19, cursivering toegevoegd). In die tijd, kort na de opstanding, verbleven de apostelen nog in het gebied rondom Jeruzalem en waren ze er blijkbaar nog niet van overtuigd dat Paulus’ bekering ook echt was. Pas jaren later voelden alle apostelen zich op hun gemak met Paulus als medechristen en -apostel. Dit is misschien ook wel de voornaamste reden dat Paulus zijn bediening voornamelijk op niet-Joodse gebieden concentreerde, zo ver weg als maar enigszins mogelijk was van zijn oorspronkelijke antichristelijke, Farizeese achtergrond.

Zoals we eerder hebben besproken, bracht Saulus/Paulus de rest van zijn leven door met het aanmoedigen van jonge christenen en het stichten van gemeenten, tot zijn martelaarsdood in Rome rond het jaar 66/67 n.Chr.

Een indrukwekkende bekering zoals die van Paulus is niet noodzakelijkerwijs uniek. Critici en sceptici zullen beweren dat in de geschiedenis verschillende gevallen zijn gedocumenteerd van mensen die zich van het ene tot het andere geloofssysteem bekeren. Wat de bekering van Paulus zo’n sterk argument maakt, is de oorzaak die eraan ten grondslag ligt. Mensen bekeren zich over het algemeen tot een bepaald geloof omdat ze door anderen worden overtuigd. Juist op deze wijze proberen christenen vandaag de dag niet-christenen te bereiken en hun het evangelie van Jezus te verkondigen. In de bekering van Paulus tot het christendom speelden andere christenen echter geen rol. Die bekering was volledig gebaseerd op zijn persoonlijke ontmoeting met Jezus. Vandaag kunnen we misschien geloven dat Jezus uit de dood is opgestaan gebaseerd op bewijs uit de tweede hand; we vertrouwen op de getuigenis van de discipelen en Paulus die de opgestane Jezus zagen, maar Paulus had een ervaring uit een vrij onverwachte primaire bron: Jezus verscheen persoonlijk aan hem. Zijn bekering was niet gebaseerd op de getuigenis van iemand anders.
 Bewijsstuk 11: De bekering van Jacobus, de broer van Jezus
Na de wonderbaarlijke ontvangenis van Jezus kregen Maria en Jozef ook andere kinderen. De evangeliën verklaren dat Jezus op zijn minst vier broers en enkele zusters had: ‘Is dit niet de zoon van de timmerman? Heet zijn moeder niet Maria en zijn broeders Jakobus en Jozef en Simon en Judas? En behoren zijn zusters niet allen bij ons?’ (Matteüs 13:55-56, en ook Marcus 6:3). En de evangeliën beschrijven ook hoe, terwijl Jezus nog leefde, zijn broers niet in Hem geloofden: ‘Want zelfs zijn broeders geloofden niet in Hem’ (Johannes 7:5). De geschriften proberen niet dit te verdoezelen. Het gebrek aan geloof bij Jakobus en de andere broers wordt bevestigd door het absolute stilzwijgen over hen in de evangeliën. Geen enkel verslag over Jezus’ bediening noemt hen in wat voor rol dan ook.

Na de opstanding echter, in de vroege jaren van het christendom, werd Jakobus, de broer van Jezus, een hoofdrolspeler in de beweging. In Galaten 1:19 identificeert Paulus hem expliciet als één van de slechts twee personen die hij ontmoette gedurende zijn reis in 37 n.Chr. naar Jeruzalem: ‘En ik zag geen ander van de apostelen dan Jakobus, de broeder des Heren.’ Er bestaat dus geen enkele twijfel over dat Jakobus, de broer van Jezus,[i] in vier jaar tijd niet alleen tot het christendom was bekeerd maar ook een erkend leider in de vroege kerk was geworden.
Verderop geeft Paulus een belangrijke aanwijzing voor de reden dat Jakobus christen werd. In de vroege geloofsbelijdenis over de opstanding in 1 Korintiërs 15:3-8 schrijft Paulus dat Jezus ook aan Jakobus was verschenen: ‘Vervolgens is Hij verschenen aan Jakobus’ (vers 7). Men kan twisten over wie deze Jakobus is (het ontbreken van achternamen in de Bijbelse tijd kan behoorlijk verwarrend zijn). Het zinsverband maakt echter duidelijk dat het hier niet gaat om Jakobus de zoon van Zebedeüs (de broer van Johannes) of de andere apostel Jakobus, de zoon van Alfeüs (omdat van hen al eerder werd vermeld dat ze tot de groep apostelen behoorden). Daarom moet dit Jakobus, de broer van de Heer, zijn.

Bovendien wordt deze Jakobus na de opstanding in Handelingen 12:17 en 15:13 als een leider van de gemeente in Jeruzalem erkend. Hij schreef ook het boek uit het Nieuwe Testament dat zijn naam draagt.

Een belangrijke, niet-Bijbelse bevestiging wordt ons door Josephus gegeven: ‘Ananias (…) liet het Sanhedrin van rechters bijeenkomen, en bracht voor hen de broer van Jezus, die ook wel Christus werd genoemd, wiens naam Jakobus was, en enkele anderen (…) hij bracht ze naar voren om te worden gestenigd.’[ii] Deze passage bevestigt niet alleen dat Jakobus de broer van Jezus was, maar verklaart ook dat hij voor zijn geloof (rond 62 n.Chr.) door steniging werd omgebracht.
Al met al kunnen we tot de goed gefundeerde conclusie komen dat Jakobus, de broer van Jezus – net als Paulus –een opmerkelijke bekering heeft meegemaakt van een ongelovige gedurende het leven van Jezus tot een leider in de vroege jaren van de christelijke beweging en dat hij uiteindelijk voor zijn geloof werd gestenigd. De persoonlijke verschijning van de opgestane Jezus aan zijn broer Jakobus wordt slechts eenmaal in het Nieuwe Testament genoemd, maar deze vermelding is wel een onderdeel van een krachtige vroege geloofsbelijdenis over de opstanding waarvan de datering kan worden vastgesteld tot slechts een paar jaar na de opstanding. Je zou je kunnen afvragen wat er, afgezien van de verschijning van de opgestane Christus, met Jakobus gebeurd zou kunnen zijn waardoor hij tot het geloof bekeerd werd. Jakobus kende Jezus toen Hij nog leefde en is zeker op de hoogte geweest van zijn onderwijs en wonderen. Niets van dit alles had hem echter overtuigd, dus wat zouden de apostelen nog hebben kunnen toevoegen om deze man te overtuigen? Logischerwijs kon alleen een persoonlijke ontmoeting met Jezus, zoals die door Paulus wordt genoemd, zijn 180-graden ommekeer in geloof en daden verklaren.

Windmill Ministries
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu