9.4 Externe Criteria voor Eerlijke Getuigenis - Gefundeerd Geloof

Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

Is de Bijbel waar? > Eerlijkheid v/d Bijbel
Externe Criteria:
Extern bewijs 1: Is er een motief voor verzinsel of vervalsing?
Zouden de schrijvers een motief hebben om hun verhalen te verzinnen? Had iemand persoonlijk belang bij het schrijven van deze verhalen? Als er een motief zou zijn voor het verzinnen van deze getuigenissen, dan zou dat het document verdacht maken. Wanneer integendeel de schrijvers er niets bij hadden te winnen, of zelfs alles hadden te verliezen, dan zou dat de geloofwaardigheid van het document aanzienlijk verhogen.
Wat gebeurde er met Johannes Marcus, Matteüs, Lucas, Johannes en Paulus nadat ze hun evangeliën en brieven hadden geschreven? Alhoewel er slechts beperkte historische informatie is over wat er met deze mannen na hun schrijven is gebeurd, kunnen we met zekerheid vaststellen dat geen van hen dankzij de opbrengst van zijn schrijven een rijk en voorspoedig leven heeft gekend. De geschiedenis toont het tegenovergestelde. De vroege kerk en haar leiders zijn door eeuwen van vervolging heen gegaan en de apostelen leefden, preekten en reisden onder armoedige omstandigheden.
Nadat Johannes Marcus zijn evangelie had geschreven en na de dood van Petrus in Rome (66-67 n.Chr.) is hij – volgens de overlevering – naar Alexandrië in Egypte gegaan, waar hij in het jaar 68 n.Chr. als martelaar is gestorven. Volgens het onderzoek van dr. William Steuart McBirnie:[i] ‘In het jaar 68 n.Chr. viel Pasen op dezelfde dag als het Serapis-feest. De woedende menigte had zich in de Serapion verzameld en overviel vervolgens de christenen terwijl dezen het Paasfeest in Baucalis vierden. Sint Marcus werd gevangengenomen, met een touw om zijn nek door de straten gesleept en daarna de hele nacht opgesloten. De volgende ochtend werd deze beproeving herhaald totdat hij de geest gaf.’ Andere bronnen bevestigen dit verhaal, inclusief de locatie van zijn begraafplaats.[ii]
Over wat er is gebeurd met Matteüs de tollenaar, zijn er diverse tegenstrijdige overleveringen.[iii] Zijn naam wordt in verband gebracht met diverse reizen door Griekenland en Azië, maar de meeste onderzoekers zijn het eens over Ethiopië, Perzië, Macedonië en Syrië. Al deze overleveringen (op één na) spreken over een voortijdige dood als martelaar voor Christus. Helaas zijn geen van deze overleveringen onderbouwd met overtuigend objectief bewijs.
Volgens de katholieke overlevering[iv] is Lucas óf de marteldood óf een natuurlijke dood gestorven en in Griekenland begraven. In de jaren 356-357 n.Chr. werd zijn stoffelijk overschot naar Constantinopel gebracht. Later is (naar men aanneemt) zijn hoofd naar Rome gebracht waar het in de Sint-Petrusbasiliek wordt bewaard.
Voordat Johannes op latere leeftijd zijn evangelie schreef, verhuisde hij kort vóór de verwoesting van Jeruzalem naar Efeze in Klein-Azië. Op deze strategische locatie had hij een bijzondere relatie met andere kerken in het gebied, zoals we weten uit zijn brieven aan de zeven gemeenten in het boek Openbaring alsmede door verwijzingen in de geschriften van de vroege kerk. Na een periode van verbanning naar het eiland Patmos is hij, naar men veronderstelt, rond het jaar 100 n.Chr. in Efeze van ouderdom overleden en daar begraven. Men beweert dat de ruïne van de Sint-Johannesbasiliek de plaats van zijn graf markeert.[v]
Sommigen beweren dat Paulus na zijn gevangenneming, zoals die aan het eind van het boek Handelingen wordt beschreven, nog een bezoek van ongeveer twee jaar aan Spanje heeft gebracht.[vi] Vervolgens keerde hij terug naar Rome, waar hij gedurende Nero’s vervolgingen in de jaren 66/67 n.Chr. (ongeveer dezelfde tijd als Petrus) werd onthoofd.
Er waren dus geen winstgevende boekopbrengsten voor deze schrijvers; ze genoten niet aan een zonnige kust van hun pensionering. De getuigenissen van deze mannen stopten niet met het schrijven van hun evangeliën en brieven. Voor de rest van hun leven bleven zij hun boodschap uitdragen. Ze leefden in armoede, met de constante dreiging van vervolging en betaalden ten slotte de uiterste prijs van een vroege dood als martelaar. Welk aards motief konden ze gehad hebben om hun getuigenis te verzinnen of er zelfs maar de kleinste verdraaiing van de waarheid in aan te brengen? Ze schreven voor hun Heiland: ze schreven om schatten in de hemel te verzamelen. Met leugens, overdrijvingen, verdraaien van de waarheid, beroemd worden of het vergaren van rijkdom hielden zij zich niet bezig.
Extern bewijs 2: Zijn er externe bronnen die dit bevestigen?
Zijn er andere, buitenbijbelse bronnen die deze verhalen bevestigen en/of de echtheid van deze documenten bewijzen? Bevestigingen vanuit dergelijke bronnen zal de betrouwbaarheid aanzienlijk vergroten. Tegenstrijdigheden vanuit andere bronnen zouden echter desastreus zijn voor de betrouwbaarheid. Er is een behoorlijke inspanning voor nodig om respect en vertrouwen bij andere mensen op te bouwen; het kost echter slechts één enkele fout om het respect en vertrouwen totaal te verliezen.
Zoals we reeds hebben bestudeerd[i] is er wel een tiental niet-christelijke schrijvers die diverse details en gebeurtenissen hebben bevestigd die voorkomen in de evangeliën en in de geschriften van Paulus. En zelfs nog belangrijker is het feit dat geen van deze bronnen ooit in tegenspraak was met de verhalen. Omdat deze geschriften van neutrale, en heel vaak zelfs van onvriendelijke bronnen ten opzichte van het christendom komen, is hun getuigenis van veel betekenis. Flavius Josephus met zijn uitgebreide bevestigingen van de Bijbelse verhalen is al aan de orde geweest. Omdat dit fragment van zo’n enorme betekenis is, volgt hieronder Josephus uitgebreide citaat over Jezus (cursivering toegevoegd):
 
Nu was er rond deze tijd Jezus, een wijze man, als het geoorloofd is om hem een man te noemen, want hij was een doener van wonderbaarlijke werken – een leraar van zulke mensen die de waarheid met genoegen aanvaarden. Hij trok velen van de Joden en velen van de niet-Joden. Hij was (de) Christus; en toen Pilatus op voorstel van de voorname mannen onder ons, hem tot het kruis had veroordeeld, verlieten degenen die hem in eerste instantie hadden liefgehad hem niet, want hij verscheen weer in levenden lijve aan hen op de derde dag, zoals de goddelijke profeten dit en tienduizend andere wonderbaarlijke dingen over hem hadden voorzegd; en de groep christenen, naar hem genoemd, zijn tot op deze dag niet uitgestorven.[ii]
 
De tekst is uiteraard een wonderbaarlijke bevestiging van een Joodse tijdgenoot van de apostelen, die geen christen was maar desondanks verklaart dat Jezus de Messias (de Christus) was en zijn opstanding bevestigt. Het lijkt echter te mooi om waar te zijn. Het is gewoonweg onwaarschijnlijk dat een man zoals Josephus (geen christen) dit over Jezus zou schrijven. Daarom is de overgrote meerderheid van Bijbelonderzoekers het erover eens dat de basis van de tekst waarheidsgetrouw is en oorspronkelijk bij Josephus vandaan komt, maar dat waarschijnlijk door de eeuwen heen christelijke bronnen de verklaringen over Christus en de opstanding hebben toegevoegd. De tekst die als de originele tekst wordt geaccepteerd is in het bovenstaande citaat cursief gezet en deze bevestigt dat:
• Jezus een wijze man was, een leraar en een ‘doener van wonderbaarlijke werken’;
• Jezus zowel Joden als niet-Joden aantrok om zijn volgelingen te worden;
• Jezus tot het kruis werd veroordeeld door Pilatus, maar op voorstel van de Joden;
• zijn volgelingen nu christenen worden genoemd en dat ze ‘tot op deze dag niet uitgestorven’ zijn.
 
Zelfs in ‘afgeslankte’ vorm is de tekst van deze niet-christelijke Jood een bevestiging van onschatbare waarde voor de betrouwbaarheid en waarheid van de evangeliën.
Voor de volledigheid dienen hier ook vele canonieke teksten van de vroege kerkleiders genoemd te worden, die het vroege bestaan en de verspreiding van de boeken van het Nieuwe Testament bevestigen.
Extern bewijs 3: Zijn er archeologische en historische bevestigingen?
Indien archeologische vondsten en/of de wereldlijke geschiedenis in overeenstemming zijn met de getuigenissen, dan verhoogt dat uiteraard de geloofwaardigheid van die getuigenissen. Als een of enkele van deze ontdekkingen de verhalen zou tegenspreken, zou dat hun geloofwaardigheid dramatisch aantasten. We hebben deze bewijzen al eerder besproken[i] en daarom zou ik een aantal citaten van bekende archeologen en Bijbelgeleerden als samenvattende conclusie willen weergeven:
 
Lucas is een eersteklas geschiedschrijver, niet alleen zijn zijn verklaringen van de feiten geloofwaardig (…) deze auteur zou zelfs geplaatst moeten worden tussen de grootste geschiedschrijvers. (…) De geschiedenis van Lucas is onovertroffen wat de geloofwaardigheid ervan betreft.
(Sir William Ramsay, 1959-1939, nieuwtestamenticus en archeoloog)[ii]
 
Archeologische ontdekkingen van de laatste generaties in Egypte, Syrië en Palestina hebben de uniekheid van het vroege christendom als een historisch fenomeen vergaand bevestigd.
(W.F. Albright, 1891-1971, archeoloog en Bijbelgeleerde)[iii]
 
De archeologie heeft in vele gevallen de gezichtspunten van de moderne critici ontzenuwd. Ze heeft in een aantal gevallen laten zien dat deze gezichtspunten berusten op valse aannames en onwerkelijke, gekunstelde theorieën over de historische ontwikkelingen. Dit is een echte bijdrage en moet zeer zeker niet worden onderschat.
(Millar Burrows, 1869-1980, professor in Bijbelse literatuur).[iv]
 
Waar Lucas werd verdacht van onnauwkeurigheid, en waar zijn nauwkeurigheid van blaam is gezuiverd door bepaalde bewijzen op basis van inscripties, kan het gerechtvaardigd zijn om te stellen dat de archeologie het nieuwtestamentische verslag heeft bevestigd.
(F.F. Bruce, 1910-1990, Bijbelgeleerde).[v]
Extern bewijs 4: Kunnen tijdgenoten de verklaringen bevestigen?
Toen de documenten werden geschreven en in omloop werden gebracht, waren er toen mensen die de nauwkeurigheid konden bevestigen en/of  bedenkingen naar voren konden brengen die ze hadden tegen eventuele fouten of verzinsels? Dat is allemaal afhankelijk van datering en chronologie. Voor elke gebeurtenis uit het verleden kan men, wat men vaak noemt, eenooggetuigenperiode’ vaststellen. Dit is een tijdsperiode van ongeveer veertig jaar (de gemiddelde levensverwachting van een volwassene gedurende die jaren) vanaf de eigenlijke gebeurtenis. In deze tijdsperiode is het redelijk om aan te nemen dat er een significant aantal getuigen nog in leven zijn om de nauwkeurigheid of de onnauwkeurigheid van de omschreven gebeurtenissen te bevestigen. In het geval van de evangeliën en de brieven van Paulus zou deze periode van ongeveer 30 n.Chr. (het begin van het publieke optreden van Jezus) tot ongeveer 70 n.Chr. (het einde van de veertigjarige periode) zijn. Uiteraard werd de ene mens wat ouder dan de andere, wat betekent dat zelfs na 70 n.Chr. sommige getuigen nog steeds in leven geweest zullen zijn (zoals de apostel Johannes), maar gemiddeld zal de populatie van ooggetuigen aan het einde van de ooggetuigeperiode behoorlijk zijn verminderd.
We hebben al eerder de datering van alle evangeliën, Handelingen en de brieven van Paulus besproken en geanalyseerd.[1] Al deze documenten (behalve het evangelie van Johannes) dateren hoogstwaarschijnlijk uit de jaren 49 tot en met 70 n.Chr., op zijn laatst 80 n.Chr. Johannes valt waarschijnlijk meer binnen de jaren 80-90 n.Chr. Hiermee vallen de meeste verslagen (behalve die van Johannes) ruim binnen de ooggetuigenperiode, waardoor verificatie door zowel vriendelijk als vijandig gezinde tijdgenoten mogelijk is geweest.
Van vriendelijk gezinde tijdgenoten (andere christenen) zien we een positieve bevestiging tegen het eind van de eeuw, en in de vroege tweede eeuw zien we dit van Papias, Clemens van Rome, Brief van Barnabas, e.d.[2]
Van de vijandig gezinde tijdgenoten horen we niet veel in termen van het ontzenuwen van gebeurtenissen en aanspraken. Zoals we hebben gezien zijn er een behoorlijk aantal buitenbijbelse bevestigingen, maar geen bewijzen  die de bijbelse verslagen weerleggen. Dit is belangrijk als we ons realiseren hoe vijandig de omgeving was waarin het christendom is ontstaan. Men had de hele beweging vanaf het prille begin kunnen stoppen als iemand had aangetoond dat de opstanding niet had plaatsgevonden, of, nog beter zelfs, als men het lichaam van Jezus had kunnen vinden. Dit is niet gebeurd, en ook vinden we geen geschriften die hier zelfs maar naar verwijzen. Indirect is dit een krachtige getuigenis voor de rechtsgeldigheid van de beweringen over de opstanding.
Windmill Ministries
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu