5.4 DE VERSCHIJNINGEN VAN JEZUS - Gefundeerd Geloof

Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

Is Jezus God? > De Opstanding
 Bewijsstuk 8: De verschijningen van Jezus
Diverse verschijningen van de opgestane Jezus zijn in de evangeliën en Handelingen vermeld: sommige aan individuele personen en andere aan groepen, sommige binnenshuis en andere buitenshuis, sommige aan snel overtuigde mensen en andere aan sceptische twijfelaars. Sommige mensen raakten Jezus aan of aten met Hem en er was dus geen twijfel over dat Hij lichamelijk aanwezig was. De verschijningen gebeurden over een periode van veertig dagen tussen zijn opstanding en zijn hemelvaart. Er zijn goede redenen om deze verslagen te vertrouwen; niet alleen – zoals we dat al hebben besproken – omdat ze van betrouwbare getuigen komen, maar ook omdat ze behoorlijk feitelijk zijn. Ze missen verzonnen passages die bedoeld zijn om de lezer te imponeren, wat men vaak aantreft in later geschreven ‘evangeliën’.

De onderstaande tabel is een overzicht van alle verschijningen zoals deze in de Bijbel zijn beschreven:

De verschijningen van Jezus in het Nieuwe Testament

 

Aan wie

Bijbelvers

Maria Magdalena

Johannes 20:10-18

De “andere” vrouwen

Matthëus 28:8-10

Kleopas en de andere disciple op weg naar Emmaus

Lucas 24:13-32

Elf discipelen en anderen

Lucas 24:33-49

Tien apostelen en anderen (zonder Thomas)

Johannes 20:19-23

Thomas en de andere discipelen

J Johannes 20:26-30

Aan zeven apostelen

Johannes 21:1-14

Aan de discipelen

Matthëus 28:16-20

De apostelen op de Olijf berg voor zijn hemelvaart

 

Lucas 24:50-52 en Handelingen 1:4-9

Aan 500 mensen en andere verschijningen, inclusief Paulus

1 Korintiërs 15:3-8

Deze tien verschillende verslagen over de verschijningen van Jezus door vijf verschillende getuigen zijn sterk overtuigende bewijzen. Zeker als we ons realiseren – en dit kan niet genoeg worden benadrukt – dat:

• we vijf (inclusief Paulus) onafhankelijke en betrouwbare ooggetuigen hebben;
• zelfs met een ruimdenkende benadering van het dateren van de evangeliën alle documenten voor het eind van de eerste eeuw (en hoogstwaarschijnlijk veel vroeger) geschreven waren;
• de geschriften consistent in tijd en ervaring zijn en dat ze elkaar in de hoofdzaken bevestigen; er zijn variaties in de details en/of in de volgorde van de verschijningen, maar deze verschillen bevestigen de geloofwaardigheid en eerlijkheid van de individuele, onafhankelijke getuigenissen en kunnen met elkaar in overeenstemming worden gebracht;
• de verschijningen aan diverse individuele personen of aan meerdere mensen waren, onder wie diverse ongelovigen.
Ook de correspondentie van de leiders van de vroege kerk bevat verslagen over de opstanding. Van groot belang zijn de brieven die door de leerlingen van de apostelen zijn geschreven. Deze mannen waren persoonlijk onderwezen door en hadden een nauwe relatie met de apostelen. Hun geschriften zijn geen ooggetuigenverklaringen, maar deze persoonlijke verklaringen onthullen wat de apostelen met hen deelden over de opstanding en welke uitwerking dit op hun leven had.

Bevestigingen van de opstanding van de vroege kerk

 

Bron

Tekst

De brief van Clemens van Rome aan de kerk van Korinte (ca. 95 AD)

“Let us consider, beloved, how the Lord continually proves to us that there shall be a future resurrection, of which He has rendered the Lord Jesus Christ the first-fruits by raising Him from the dead.”

 

“Christ therefore was sent forth by God, and the apostles by Christ. Both these appointments, then, were made in an orderly way, according to the will of God. Having therefore received their orders, and being fully assured by the resurrection of our Lord Jesus Christ, and established in the word of God, with full assurance of the Holy Ghost, they went forth proclaiming that the kingdom of God was at hand.”

De brief van Polycarpus aan de kerk van Fillipi

(ca. 110 AD)

“……and in Paul himself, and the rest of the apostles. [This do] in the assurance that all these have not run in vain, but in faith and righteousness, and that they are [now] in their due place in the presence of the Lord, with whom also they suffered. For they loved not this present world, but Him who died for us, and for our sakes was raised again by God from the dead.”

De geloofsbelijdenis over de opstanding in 1 Korintiërs 15

Dit is misschien een verrassing voor veel lezers: de allereerste getuigenis in de Bijbel over de opstanding van Jezus wordt niet in de evangeliën, maar in de eerste brief van Paulus aan de gemeente in Korinte gevonden! Een beetje achtergrondinformatie is nodig. Het boek Handelingen stelt ons in staat om te bepalen wanneer Paulus de gemeente in Korinte startte. In Handelingen 18:1-4 lezen we over de tweede zendingsreis van Paulus: ‘Daarna verliet hij Athene en kwam te Korinte. En hij vond daar een Jood, genaamd Aquila, van geboorte uit Pontus, die juist uit Italië gekomen was met Priscilla, zijn vrouw, omdat Claudius bevolen had, dat alle Joden Rome zouden verlaten; en hij kwam bij hen. En omdat hij hetzelfde handwerk uitoefende, bleef hij bij hen, en zij werkten samen, want zij waren tentenmakers van hun handwerk. En hij hield elke sabbat besprekingen in de synagoge en trachtte Joden en Grieken te overtuigen.’ Dit houdt in dat Paulus in het jaar 51 n.Chr. Korinte voor het eerst bezocht. Hij verbleef daar ongeveer achttien maanden en zoals Handelingen 18:8 zegt: ‘vele van de Korintiërs, die hem hoorden, geloofden en lieten zich dopen.’
Gedurende zijn derde zendingsreis en terwijl hij in Efeze verbleef, ongeveer drie of vier jaar later, hoorde Paulus over de problemen in Korinte toen een afvaardiging van die gemeente hem tijdens een bezoek om advies vroeg. Hij schreef snel een brief om zijn bezorgdheid te uiten. Dit is de brief die we nu kennen als het nieuwtestamentische boek 1 Korintiërs. Bijbelgeleerden zijn het er bijna unaniem over eens dat Paulus de auteur was en dat de brief rond het jaar 55 n.Chr. in Efeze[i] is geschreven. Het schrijven van deze brief viel ruim binnen de ooggetuigenperiode, misschien slechts tweeëntwintig jaar na de kruisiging! In 1 Korintiërs 15:1-8 lezen we:
 
Ik maak u bekend, broeders, het evangelie, dat ik u verkondigd heb, dat gij ook ontvangen hebt, waarin gij ook staat, waardoor gij ook behouden wordt, indien gij het zo vasthoudt, als ik het u verkondigd heb, tenzij gij tevergeefs tot geloof zoudt gekomen zijn. Want voor alle dingen heb ik u overgegeven, hetgeen ik zelf ontvangen heb: Christus is gestorven voor onze zonden, naar de Schriften, en Hij is begraven en ten derden dage opgewekt, naar de Schriften, en Hij is verschenen aan Kefas [Kefas is de Aramese naam voor Petrus en wordt in de Griekse tekst hier gebruikt], daarna aan de twaalven. Vervolgens is Hij verschenen aan meer dan vijfhonderd broeders tegelijk, van wie het merendeel thans nog in leven is, doch sommigen zijn ontslapen. Vervolgens is Hij verschenen aan Jakobus, daarna aan al de apostelen; maar het allerlaatst is Hij ook aan mij verschenen, als aan een ontijdig geborene.
 
In de eerste zin van bovenstaand citaat herinnert Paulus de Korintiërs eraan dat wat hij hun bekend gaat maken, datgene is wat hij hun tijdens zijn eerste bezoek zo’n drie tot vier jaar eerder had verteld. Daarmee gaat deze verklaring terug tot slechts ongeveer achttien jaar na de opstanding. Daarom is ze ouder en ligt ze dichter bij de gebeurtenissen op Golgota dan ongeacht welke andere verklaring over de opstanding in het Nieuwe Testament.
De zin (eerste gedeelte van vers 3) ‘Want voor alle dingen heb ik u overgegeven, hetgeen ik zelf ontvangen heb’ is van groot belang om de oorspronkelijk bron van deze getuigenis van Paulus te achterhalen. Paulus gebruikt hierbij een traditionele introductie dat de daaropvolgende verklaring aan hem als een geloofsbelijdenis is doorgegeven. Een geloofsbelijdenis (credo)[ii] komt van het Latijnse ‘credo’ ofwel ‘Ik geloof’. Een credo is een belijdenis van geloof, een korte, krachtige samenvatting van een christelijke doctrine, waarvan men aanneemt dat dit in de vroege kerk als een bevestiging van het geloof werd opgezegd. In deze passage noemt Paulus een totaal van zes verschijningen; sommige beschreven in de evangeliën, maar andere worden alleen in deze brief genoemd. Laten we er eens nader naar kijken:
Jezus verscheen aan Petrus (of Kefas, zoals de originele tekst zegt). De evangeliën bevatten geen uitgebreide beschrijving van deze verschijning aan Petrus; alhoewel Johannes wel een gesprek vermeldt tussen de opgestane Jezus en Petrus. Lucas 24:34 (‘En dezen zeiden: De Here is waarlijk opgewekt en is aan Simon verschenen’) noemt deze verschijning ook vluchtig. Het gebruik van de Aramese naam Kefas is een belangrijke indicatie dat Paulus, die in het Grieks schreef, een geloofsbelijdenis kopieerde uit de gesproken taal van de eerste eeuw in Israël, het Aramees.
Jezus verscheen aan ‘de twaalven’. Vers vijf zegt ‘daarna aan de twaalven’. ‘De twaalven’ omschrijft de apostelen als een groep en kan niet als een letterlijk aantal worden gezien omdat Judas niet langer een onderdeel van deze groep was. Deze gebeurtenis is ook in Lucas 24:33-49; Matteüs 28:16-20 en Johannes 20:19-23 beschreven.
Jezus verscheen aan meer dan vijfhonderd mannen tegelijkertijd. Vers 6 gaat verder: ‘Vervolgens is Hij verschenen aan meer dan vijfhonderd broeders tegelijk, van wie het merendeel thans nog in leven is, doch sommigen zijn ontslapen.’ Alhoewel deze verschijning niet in de evangeliën wordt gevonden, is dit het meest in het oog springende bewijs dat door Paulus word gepresenteerd. Hij was hoogstwaarschijnlijk niet een van deze ‘vijfhonderd’, maar het is duidelijk dat hij – en misschien sommigen van de gelovigen van Korinte zelfs ook wel – een aantal van hen kende, want hij zegt: ‘van wie het merendeel thans nog in leven is’. Deze nogal krachtige uitlating is een uitnodiging aan elke criticus uit de eerste eeuw om bij iemand van deze vijfhonderd navraag te doen over de opstanding.
Jezus verscheen aan Jakobus. Deze Jakobus is zeker niet een van de apostelen omdat ‘de twaalven’ al eerder werden genoemd en die groep zou inclusief Jakobus de zoon van Zebedeüs (de broer van Johannes) zijn, alsook de enige andere apostel, Jakobus de zoon van Alfeüs. Daarom moet dit Jakobus, de broer van de Heer zijn.
Jezus verscheen aan alle apostelen. Omdat Paulus ‘de twaalven’ eerder noemde, moet dit in ruimere zin worden gezien en is dit inclusief anderen die een onderdeel van de totale groep van Jezus’ volgelingen waren. We vinden deze verschijning ook in sommige van de evangeliën.
Jezus verscheen aan Paulus. Hier refereert Paulus aan zijn persoonlijke ontmoeting met de opgestane Christus toen hij, in 34 n.Chr., dus net een jaar na de opstanding, op weg was naar Damascus (zoals dit uitgebreid wordt beschreven in Handelingen 6).
Het is duidelijk dat alleen Paulus een ooggetuige van de laatste verschijning is geweest. Hoe kreeg Paulus dan de informatie over de andere verschijningen? Hoe heeft Paulus dit credo ontvangen? Wanneer we wat dieper in het Nieuwe Testament graven, vinden we hierover een aantal overtuigende aanwijzingen.
Hiervoor moeten we gaan kijken naar een eerder geschreven brief van Paulus: Galaten. Net zoals dat met 1 Korintiërs het geval is, wordt alom geaccepteerd dat deze tekst van Paulus afkomstig is. Paulus identificeert zichzelf als de schrijver aan het begin van de brief en nogmaals in het laatste hoofdstuk. Wanneer we de aanwijzingen analyseren die ons in Handelingen zijn gegeven, kunnen we ontdekken dat deze brief net na het Apostelconvent (in Jeruzalem rond 49 n.Chr.) is geschreven en hoogstwaarschijnlijk in het daaropvolgende jaar verscheen. Lees wat Paulus zelf over zijn geloofwaardigheid schrijft in Galaten 1:13-19:
 
 Want gij hebt gehoord van mijn vroegere wandel in het Jodendom: ik heb de gemeente Gods bovenmate vervolgd en getracht haar uit te roeien, en in het Jodendom heb ik het verder gebracht dan vele van mijn tijdgenoten onder mijn volk, als hartstochtelijk ijveraar voor mijn voorvaderlijke overleveringen. Maar toen het Hem, die mij van de schoot mijner moeder aan afgezonderd en door zijn genade geroepen heeft, behaagd had, zijn Zoon in mij te openbaren, opdat ik Hem onder de heidenen verkondigen zou, ben ik geen ogenblik te rade gegaan met vlees en bloed; ook ben ik niet naar Jeruzalem gereisd tot hen, die reeds voor mij apostelen waren, maar ik ben naar Arabië vertrokken en vandaar naar Damascus teruggekeerd. Daarop ging ik drie jaar later naar Jeruzalem, om Kefas te bezoeken, en ik bleef vijftien dagen bij hem; en ik zag geen ander van de apostelen dan Jakobus, de broeder des Heren.

Wat zegt dit ons? Kijk eens naar de tijdslijn (figuur 21-1): Jezus was gekruisigd en uit de dood opgestaan in het jaar 33 n.Chr. Paulus was bekeerd in het jaar 34 n.Chr. en hij ging voor het eerst als een christen, drie jaar later (dus in 37 n.Chr.) naar Jeruzalem, waar hij een ontmoeting met Petrus en Jakobus had. Hij keerde veertien jaar later terug voor het zogenaamde Apostelconvent (een ontmoeting waarbij de kerk overeenkwam om ook het evangelie onder de niet-Joden te verspreiden), wat dus in de jaren 49-50 n.Chr. geweest moet zijn.
Wanneer we nog eens terugkijken naar Paulus’ getuigenis in 1 Korintiërs 15, zien we dat hij ook verslag doet van verschijningen aan Petrus en Jakobus. Toen Paulus drie jaar na zijn bekering in Jeruzalem was, had hij alleen een ontmoeting met Petrus en Jakobus en daarom lijkt het niet alleen toeval dat hij deze beide mannen met name noemt in zijn getuigenis over de verschijningen van Jezus. Daarnaast, zoals we dit in Galaten 1:18 hebben gelezen, maakt Paulus duidelijk dat hij (drie jaar naar na zijn bekering) in het jaar 37 n.Chr. naar Jeruzalem ging om kennis te maken met de discipelen. Het Griekse woord dat hier gebruikt wordt is historeo, dit woord is de basis voor ons woord ‘historie’ (geschiedenis) en betekent ‘feitelijk onderzoek’ of ‘diepgaand onderzoek’. Paulus ging dus niet naar Jeruzalem om gezellig wat tijd met hen door te brengen – hij ging erheen om met hen te kunnen praten, aantekeningen te vergelijken en plannen te maken. We weten van het verslag over hetzelfde bezoek uit Handelingen 9:26 dat de andere discipelen nog steeds bang waren om Paulus te ontmoeten omdat ze niet van zijn bekering overtuigd waren. Daarom ontmoette Paulus alleen Petrus en Jakobus.
Dit maakt het aannemelijk dat het verslag van Paulus over de verschijningen van de opgestane Jezus, zoals deze in 1 Korintiërs 15 zijn beschreven, direct bij de originele bron vandaan kwam: Petrus de apostel en Jakobus de broer van Jezus. Nu weten we dus met zekerheid niet alleen dat deze getuigenis minder dan twintig jaar na de kruisiging ontstond, maar we hebben ook sterke aanwijzingen dat Paulus deze getuigenis (ook wel een credo of geloofsbelijdenis genoemd) heeft ontvangen van de apostel Petrus en van Jakobus de broer van Jezus in het jaar 37 n.Chr., dus slechts vier jaar na de opstanding. Bijna zo recent als voorpaginanieuws!



Windmill Ministries
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu