5 Van Bacterien tot Menselijke Wezens - Gefundeerd Geloof

Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

Bestaat God?
5. Van bacteriën tot menselijke wezens
‘En God schiep de mens naar zijn beeld; naar Gods beeld schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij hen.’
(Genesis 1:27)
Als we aannemen dat eenvoudige levensvormen bestaan op een levenondersteunende planeet, hoe zouden deze dan kunnen evolueren tot complexere levensvormen en uiteindelijk tot menselijke wezens? Dit was het punt waar alles om draaide bij Darwins theorie in zijn boek The Origin of Species. Hij beweerde (zoals evolutionisten dat nu nog steeds doen) dat uitgaand van genoeg tijd, meer ontwikkelde levensvormen zullen evolueren louter door toevalligheden en natuurlijke processen. Heeft de moderne wetenschap nu – 150 jaar later – het mechanisme ontdekt waardoor dit mogelijk is? Zijn er fossielen gevonden die dit model ondersteunen? Of zijn er bewijzen die het tegenovergestelde laten zien?
De evolutionaire studieboeken geven een aantal voorbeelden van ‘evolutie’ binnen een bepaalde levensvorm als bewijs van hun theorie. Deze zijn o.a. de snavels van vinken, fruitvliegen en een bacterie die ongevoelig is voor antibiotica. Maar zijn dit echt voorbeelden van evolutie? Om het proces dat deze veranderingen doet plaatsvinden beter te bevatten is het noodzakelijk een verschil te maken tussen veranderingen in de kenmerken van een en dezelfde soort levensvorm en veranderingen die noodzakelijk zijn om van de ene soort in een heel andere soort te evolueren. Deze twee soorten veranderingen, respectievelijk (a) natural selection (‘natuurlijke selectie’ en ook wel survival of the fittest – ‘overleving van de sterkste’ of ‘overleving van de geschiktste’)  genoemd en (b) genetic mutations (‘genetische mutaties’), blijken totaal verschillende en onafhankelijke processen te zijn.
Natuurlijke selectie oftewel survival of the fittest

De traditionele evolutietheorie – ook wel darwinisme genoemd – beschouwt natuurlijke selectie als de drijfkracht achter het evolutieproces. Natuurlijke selectie is het fenomeen dat een individueel organisme met bevoorrechte kenmerken meer mogelijkheden heeft om te overleven en te reproduceren dan die welke deze mogelijkheden niet bezitten. Als gevolg hiervan bestaan opvolgende generaties voornamelijk uit nazaten met deze bevoorrechte kenmerken, zodat deze eigenschappen steeds meer zullen voorkomen. Na een aantal generaties zullen alle nazaten deze bevoorrechte kenmerken bezitten en zullen de nazaten die deze niet hadden zijn uitgestorven. Daarom hield Darwin ervan om natuurlijke selectie ook wel survival of the fittest te noemen.
Darwins onderzoek was op het fokken en/of telen gebaseerd. Hijzelf was een actieve duivenfokker en had tot in detail de principes van het fokken onderzocht, wat hij controlled selection (‘beheerste selectie’) noemde. Dit principe, in combinatie met zijn observatie van ongewone variaties in dieren en planten op de Galapagoseilanden in Zuid-Amerika (die hij zag terwijl hij reisde met de HMS Beagle rond 1830), heeft hem tot de theorie van natuurlijke selectie gebracht.
Een van de beroemdste voorbeelden uit zijn boek The Origin of Species is bekend geworden als de Darwinvinken en in de meeste studieboeken wordt dit nog steeds gebruikt. Het viel Darwin op dat de snavels van de vinken op de Galapagoseilanden langer en puntiger waren dan die van Engelse vinken. Hij concludeerde dat de langere perioden van droogte en het rotsige terrein van het eiland van dien aard waren dat alleen vinken met langere snavels konden overleven. Om zeker te zijn van voedsel moesten deze vogels dieper in de harde aarde graven dan de vinken in Engeland. Hij redeneerde dus dat de vinken met de korte snavels op de Galapagoseilanden niet konden overleven. Na een natuurlijke selectie, die gedurende een aantal generaties zou plaatsvinden, kon alleen maar een populatie van vinken met puntigere snavels blijven bestaan.
                  
There is Much Confusion on How Natural Selection "Impacted" the Evolution of a Species?

Er zijn vele andere voorbeelden van natuurlijke selectie. Vandaag de dag zijn er bijvoorbeeld wel tweehonderd verschillende hondenrassen. Wist u dat de meeste van deze hondenrassen niet bestonden in de tijd dat Jezus leefde? Waarschijnlijk waren toen alle honden ongeveer hetzelfde in grootte, haar, kleur, gedrag, enz. en zagen ze eruit zoals nu een gewoon ‘vuilnisbakkenras’ eruitziet. Betekent dit nu dat honden zich in een periode van slechts tweehonderd jaar hebben geëvolueerd tot tweehonderd nieuwe soorten? Als dit inderdaad het geval zou zijn, zou dit – net zoals bij de vinken van Darwin – een overtuigend bewijs voor evolutie zijn.
Dit is echter niet zo. Genetica (erfelijkheidsleer) heeft geleerd hoe natuurlijke selectie werkt. Elk organisme heeft unieke erfelijkheidsinformatie in zijn DNA, gegroepeerd in genen en chromosomen. Deze genen zijn de eenheden van genetische informatie die de ‘blauwdruk’ zijn voor alle kenmerken van het organisme. In menselijke wezens bijvoorbeeld, regelen combinaties van genen de kleur van de ogen, de kleur van het haar, de huidskleur, lengte, bloedgroep en ook aanleg voor bijvoorbeeld hoge bloeddruk en hartziekten.
Door middel van fokken en/of door natuurlijke selectie worden sommige eigenschappen geprefereerd boven andere eigenschappen. Deze eigenschappen liggen opgeslagen in de genen. Daarom zal het nageslacht in volgende generaties naar alle waarschijnlijkheid dezelfde ‘genensamenstelling’ hebben. Dit resulteert in een overheersing, of zelfs exclusiviteit, van deze bevoorrechte eigenschappen. Dus in een rasechte hond is de genetische informatie (die is doorgegeven door de ouders) ingesteld op de gewenste eigenschappen van het ras. De genetische informatie die de niet-gewenste eigenschappen geproduceerd zou hebben is verdwenen door het selectieve fokken van de voorgaande generaties. Vandaar dat in termen van erfelijkheidsleer echte rashonden minder genetische variatie hebben dan straathonden. Laat me dit illustreren. Een rasechte labrador zal alleen de genetische informatie bezitten die kenmerkend is voor een labrador. Zo zal ook een rasechte Duitse herder alleen maar de genetische informatie bezitten die kenmerkend is voor een Duitse herder. Een hond uit het asiel daarentegen, die een Duitse herder en een labrador als ouders heeft, zal de informatie van beide rassen hebben. Dit dier mag misschien minder aantrekkelijk voor de eigenaren zijn, maar vanuit genetisch standpunt gezien is het eigenlijk ‘rijker’ in (genetische) informatie dan de rashond.
Natuurlijke selectie en/of fokken leidt dus níét tot nieuwe soorten. Het benadrukt uitsluitend bepaalde karakteristieken die zijn geselecteerd door middel van gecontroleerd telen of fokken, of die worden geprefereerd door hun natuurlijke omgeving (de Darwinvinken). En het proces is altijd omkeerbaar. Wanneer het gecontroleerde fokken of telen stopt en de diverse soorten honden weer wordt toegestaan om met elkaar te kruisen, zal het slechts een paar generaties duren voordat de honden er weer allemaal ‘vrij gemiddeld’ uitzien. 
Darwin's Finches
Men heeft bij de Darwinvinken (op de Galapagoseilanden) waargenomen dat de snavels niet doorgaan met groeien. Er is juist het tegenovergestelde gebeurd: gedurende regenachtige perioden blijkt de snavel korter te worden en ziet hij er meer uit als de ‘traditionele’ snavel van de vinken die we in Europa zien.
In de woorden van dr. Elmer Noble:
 
Natuurlijke selectie is alleen van toepassing op biologische eigenschappen die al bestaan; ze kan geen nieuwe eigenschappen toevoegen om zich aan de natuurlijke omgeving aan te passen.
 
Natuurlijke selectie wordt overal om ons heen gezien. Helaas wordt dit vaak misbruikt als bewijs voor evolutionaire veranderingen. De meeste evolutionaire studieboeken beweren dat de Darwinvinken, alsmede de gespikkelde motten, antibiotica-resistente bacteriën en bestrijdingsmiddelen-resistente insecten, bewijzen voor evolutie zijn. Deze zijn echter louter voorbeelden van natuurlijke selectie. Door voorkeur te geven aan bepaalde – reeds bestaande – eigenschappen heeft het nageslacht meer kans om te overleven. Geen nieuwe kenmerken worden gevormd en na verloop van tijd, als de omstandigheden waardoor deze kenmerken waren ontstaan verdwijnen, zullen de onderdrukte kenmerken weer tevoorschijn komen.
Om nog meer verwarring te zaaien heeft men deze variaties binnen een bepaalde (dier)soort, de naam micro-evolutie gegeven. Deze naam geeft de indruk dat, alhoewel op kleine schaal, permanente veranderingen plaatsvinden. Zoals eerder uitgelegd líjken deze veranderingen wellicht veelbetekenend en permanent, maar ze zijn dat niet. Geen nieuwe genetische informatie is toegevoegd en er gebeurt zelfs het tegenovergestelde: genetische informatie gaat verloren.
        
☼ Bewijsstuk 6: Geen mechanisme voor soorten om te evolueren
Om echte evolutie mogelijk te maken moet een soort veranderen – evolueren – in een andere soort. Deze nieuwe soort moet genen bezitten die verschillend zijn van de oorspronkelijke soort. Evolutie beweert dat wanneer er kleine fouten optreden tijdens de voortplanting (ook wel genetische drift of genetische mutaties genoemd), genetische informatie wordt veranderd, uitgewist of toegevoegd. Mutaties kunnen worden veroorzaakt door kopieerfouten in het genetische materiaal gedurende de celdeling en als cellen worden blootgesteld aan stralingen of virussen. Genen worden óf veranderd óf vernietigd, óf er worden nieuwe genen gevormd. Deze herziene/nieuwe genen produceren dan nieuwe kenmerken. Dit proces wordt totaal door ‘het toeval’ beheerst. Fouten in het kopieerproces kunnen neutraal, positief of negatief zijn.
Evolutie beweert dat wanneer deze nieuwgevormde eigenschappen een positief effect geven (favorable mutations, gunstige mutaties), natuurlijke selectie ervoor zal zorgen dat deze in de soort verder zullen evolueren. De less favorable mutations (schadelijke mutaties) zullen uit de genenpoel worden verwijderd. In evolutionaire biologie is natuurlijke selectie de drijfkracht die de ene soort doet veranderen in de andere soort door de positieve veranderingen die gedurende het duplicatieproces optreden, te selecteren en op te slaan.
Neutral mutations (neutrale mutaties) zijn genetische veranderingen die geen invloed hebben op de eigenschappen van de soort. De overweldigende meerderheid van eventuele mutaties hebben geen enkel belangrijk effect, omdat door het DNA-herstelmechanisme (DNA repair) de meeste veranderingen (voordat ze definitieve veranderingen worden) worden geëlimineerd. Ook hebben vele organismen een mechanisme om gemuteerde cellen uit te schakelen.
Het DNA-herstelmechanisme is een ingebouwd mechanisme waarmee DNA zichzelf gedurende het reproductieproces controleert en corrigeert. Gedurende de reproductie krijgen nieuwe cellen een complete set DNA van elk van de ouders. Van de paren waarin de chromosomen bestaan, wordt er één chromosoom van de vader en één chromosoom van de moeder doorgegeven. Als een of meerdere DNA-basen in een van de DNA-snoeren van een van de chromosomen beschadigd is of zijn, dan wordt/worden deze genegeerd en wordt alleen de gezonde genetische informatie van de andere streng gebruikt. Wanneer beide strengen van beide chromosomen gezond zijn zullen diverse dominantieprincipes bepalen hoe de kenmerken van de ouders zullen worden doorgegeven aan het nageslacht. Alleen wanneer beide chromosomen zijn beschadigd op dezelfde plaats in het DNA zal er een mogelijke mutatie kunnen plaatsvinden.
Dit roept meteen een uitermate belangrijke vraag op: als genetische mutatie het mechanisme is dat verandering mogelijk maakt, waarom zou dit proces (dat uiteindelijk evolutie mogelijk maakt) een mechanisme ontwikkelen dat zichzelf kan repareren en daardoor de verandering tegenwerkt of zelfs onmogelijk maakt? Logisch gezien lijkt dat absoluut niet te kloppen.
Het is belangrijk om te begrijpen dat elk van deze eventuele mutaties slechts een heel kleine stap is en dit totaal willekeurig gebeurt op het niveau van DNA-basenparen (DNA-letters). Om een nieuw kenmerk te laten ‘evolueren’ zijn er een groot aantal opeenvolgende mutaties nodig waaruit een nieuw gen wordt gevormd of om een gen aanzienlijk te wijzigen. Omdat dit louter door puur toeval wordt beheerst, zouden hiervoor vele, vele generaties nodig zijn en zou dit proces een enorm lange tijdsperiode in beslag nemen.
Om dit dus te laten gebeuren moet het DNA van de originele soort muteren – onder invloed van willekeurige fouten – in nieuw DNA, met betere, meer ontwikkelde, kenmerken. Op het eerste gezicht klinkt dat aannemelijk, maar dit proces (ook wel macro-evolutie genoemd) is in de natuur nog nóóit geobserveerd. Als er al mutaties worden waargenomen, resulteren deze nagenoeg allemaal in verminderde of beschadigde genetische informatie.
Laten we eens lezen wat enkele deskundigen over genetische informatie te zeggen hebben:
 
Maar in alle literatuur die ik over de levenswetenschappen heb gelezen, heb ik nog nooit een mutatie gevonden die informatie heeft toegevoegd (…). Alle mutaties die zijn bestudeerd op het moleculaire niveau hebben geresulteerd in verlies van informatie en niet in enige verbetering.
 
Mutaties zijn bijna altijd universeel schadelijk. Wanneer het over de mens gaat, dan worden ze beschouwd als ‘geboorteafwijkingen’. Ze resulteren in vroegtijdige dood en steriliteit. Vandaag de dag leidt de mensheid aan meer dan vierduizend ziekten die zijn veroorzaakt door genenmutaties. Het downsyndroom (mongolisme), cystic fibrosis (taaislijmziekte) en sikkelcelanemie zijn bekende voorbeelden.
 
Mutaties zijn zeldzame verschijnselen en een gelijktijdige verandering van zelfs maar twee aminozuren in een eiwit is absoluut onwaarschijnlijk. (…) Men zou bijvoorbeeld kunnen denken dat door de aminozuren een voor een te veranderen, men uiteindelijk in staat zal zijn om geleidelijk de hele reeks te veranderen. Deze kleine veranderingen zullen echter uiteindelijk een situatie teweegbrengen waarin het enzym is gestopt met het uitvoeren van de voorgaande functie, maar nog niet aan zijn ‘nieuwe taak’ is begonnen. Dat is het moment waarop het zal worden vernietigd – samen met het organisme waarin het zich bevindt.

Gebaseerd op het bovenstaande kunnen we concluderen dat genetische mutaties als bewijs voor evolutie zeer discutabel is en feitelijk bewijs ervoor ontbreekt. Ten eerste zal het ‘DNA-herstelmechanisme’ voorkomen dat een eventuele mutatie op het DNA-basepaarniveau enig effect zal hebben, tenzij de overeenkomende basis van de andere chromosoom ook is beschadigd. Ten tweede zal, zelfs wanneer de mutatie niet wordt gecorrigeerd door het DNA-herstelmechanisme, de overgrote meerderheid van deze mutaties geen effect op het organisme hebben. Ten slotte zal, wanneer een mutatie niet neutraal is maar wel effect heeft, dit effect bijna altijd schadelijk zijn.
Het volgende is iets om over na te denken: de ongeveer vierduizend jaar vastgelegde geschiedenis van het menselijk ras heeft veel erfelijkheidsziekten of geboortegebreken laten zien, maar heeft geen enkele X- of Superman voortgebracht.
Mutaties komen voor, echter heel zelden. Kunnen we kwantificeren hoe zeldzaam dit werkelijk is? Onderzoek heeft aangetoond dat de meeste (niet-dodelijke) mutaties neutraal zijn. Dit betekent dat ze geen onderscheidend effect op de eigenschappen van het organisme hebben. Van de overgebleven mutaties is de grote meerderheid schadelijk voor de soort. Afhankelijk van de soort is de verhouding tussen positieve en schadelijke mutaties tussen 1 op de 10.000 en 1 op de 10.000.000.

Dat is de reden waarom inteelt – het hebben van kinderen met naaste familieleden – de kans op veranderingen in het genetisch materiaal drastisch vergroot. We kunnen aannemen dat eventuele beschadigingen (mutaties) van het DNA van familieleden zullen plaatsvinden op dezelfde plaats in hun chromosomen. Als ze samen kinderen zouden krijgen, hebben deze kinderen dus een aanmerkelijk grotere kans op een mutatie die niet kan worden gecorrigeerd door het DNA-herstelmechanisme. Men zou kunnen zeggen: ‘Goed nieuws voor evolutie, want dat verhoogt zeker de mogelijkheid voor het menselijk ras om zich te evolueren.’ Echter, omdat de resultaten universeel negatief zijn en ze zich als genetische afwijking of ziekte manifesteren, is het beter om deze situaties te vermijden.
Verwarrende terminologie

Is micro-evolutie evolutie? Het evolutiedebat wordt vaak erg ‘vertroebeld’ door het onzorgvuldige gebruik van terminologie. Micro-evolutie gaat bijvoorbeeld over kleine veranderingen binnen de soort, terwijl macro-evolutie de spectaculaire verandering van de ene in de andere soort is. Wanneer men spreekt over micro-evolutie wekt dat de suggestie dat er ook macro-evolutie plaatsvindt, maar dat is niet het geval. Micro-evolutie is alleen maar een ander woord voor natuurlijke selectie. Het feit dat mensen gemiddeld langer worden, wordt vaak gebruikt als voorbeeld van micro-evolutie. Vervolgens wordt dit als bewijs voor Darwins evolutietheorie aangevoerd.
Klopt niet! Ten eerste – en dit zal u misschien verrassen – worden mensen niet noodzakelijkerwijs langer. Ja, statistisch gezien is de gemiddelde lengte van de mens in de geïndustrialiseerde landen in de afgelopen 150 jaar met ongeveer 10 cm toegenomen. Onderzoeken van skeletten laten echter zien dat er geen veelzeggende verschillen zijn tussen de lengte van de mensen uit het stenen tijdperk en van de mensen van rond de jaren 1800. Zelfs tijdens de Middeleeuwen zijn er verslagen van mensen die langer dan 1,80 meter waren en dat werd niet als een ongewone lengte beschouwd. Vandaag de dag geloven de meeste wetenschappers dat deze toename in lengte simpelweg te maken heeft met het eten van beter voedsel. Dit wordt ondersteund door het feit dat het lijkt alsof de lengte begint te stabiliseren.
Ten tweede, zelfs als dit micro-evolutie (natuurlijke selectie) zou zijn, dan is dit nog geen bewijs voor evolutie. Zoals we uitgebreid hebben laten zien, optimaliseert micro-evolutie de bestaande genetische informatie in een organisme slechts om zijn mogelijkheden in zijn omgeving te vergroten – niets meer. Het voegt niets aan de soort toe omdat er geen nieuwe genetische informatie is, er geen mutaties zijn en de veranderingen heel makkelijk kunnen worden teruggedraaid. Een langer-dan-gemiddeld persoon is geen nieuw menselijk wezen, zoals de chihuahua en de Duitse herder heel verschillend, maar toch allebei een hond zijn.
Deze verwarrende terminologie schijnt opzettelijk door vele evolutionisten te worden gebruikt in schoolboeken, artikelen en discussies om de indruk te wekken dat micro-evolutie het bewijs vormt voor het evolueren van de ene soort in de andere soort. De illustraties die in vele studieboeken voorkomen zijn uit natuurlijke selectie gehaald. De schrijvers beweren vervolgens dat evolutie een feit is. Proberen te bewijzen dat evolutie een feit is door louter natuurlijke selectie te laten zien is echter niets anders dan intellectuele fraude.
Een nadere analyse van DNA

We hebben gezien dat cellen de bouwstenen zijn voor elk levend systeem. Alle instructies die nodig zijn voor het verrichten van hun activiteiten zijn opgeslagen in het DNA van elke cel.
Het DNA van elk organisme bestaat uit dezelfde chemische en fysieke bestanddelen. De DNA-instructies liggen vast in de opeenvolging van de basenparen (DNA-’letters’) langs de DNA streng (bijv. ‘ATTCCGGA’). Deze volgorde geeft de exacte instructies die nodig zijn om een organisme met zijn eigen unieke kenmerken te bouwen.
Het genoom is de complete DNA-set van een organisme. Genomen variëren sterk in grootte. Het kleinste genoom van een levend organisme dat we kennen (een bacterie), bevat ongeveer 160.000 DNA-basenparen, terwijl de genomen van mensen en muizen er ongeveer 3 miljard bevatten.
Het DNA in het menselijk genoom is gerangschikt in 23 chromosoomparen: fysiek gescheiden, maar qua functie vergelijkbare DNA-moleculen die variëren in lengte van ongeveer 50 tot 250 miljoen basenparen. Elk chromosoom bevat vele genen, de fundamentele fysieke en functionele erfelijkheidsdragers. Genen zijn specifieke aaneenschakelingen van DNA-basenparen die de instructies bevatten over hoe een eiwit of RNA gemaakt moet worden. Genen maken slechts een klein percentage van de menselijke genoom uit (ongeveer één a twee procent); de rest bestaat uit niet-coderend DNA (ook wel junk-DNA, ‘afval-DNA’ genoemd). Men schat dat het menselijk genoom 20.000 tot 25.000 genen bevat. Aan het eind van het chromosoom bevindt zich een sectie DNA die telomeer wordt genoemd. Een telomeer is te vergelijken met het plastic uiteinde van een veter. Bij iedere deling rafelt het uiteinde een stukje uit en uiteindelijk kan de cel niet meer delen en sterft. Menselijke cellen bereiken dit stadium na zo’n vijftig, zestig delingen. Wetenschappers geloven dat als de telomeerlengte behouden blijft, de cel zich kan blijven delen zonder dood te gaan. 
Junk-DNA, bewijs voor evolutie of ontwerp?

Junk-DNA (afval-DNA) is een verzamelnaam voor dat deel van de DNA-streng op het chromosoom waarvoor nog geen functie is ontdekt. Voor het huidige genoom wordt op dit moment zo’n 97% als ‘afval’ aangeduid.
Evolutionisten beschouwden aanvankelijk de aanwezigheid van afval-DNA als overblijfsel van het evolutieproces en voerden het aan als bewijs tegen het bestaan van een Schepper: waarom zou een perfecte God DNA scheppen dat voornamelijk bestaat uit ongebruikte secties?
Volgens een van de evolutionaire gezichtspunten zijn de secties afval-DNA de toevallig geproduceerde DNA-basepaarreeksen die geen functie hebben, óf het zijn overblijfselen van voorvaderlijk DNA dat niet langer wordt gebruikt. Een andere evolutionaire theorie is dat afval-DNA werkt als een parasiet – ook wel egoïstisch DNA genoemd – omdat het bestaat uit DNA dat efficiënter kopieert dan coderend DNA.

Ten slotte blijkt nu dat secties van het niet-gecodeerde DNA een rol spelen als moleculaire schakelaars om genen te laten weten wanneer en waar te stoppen en te starten. Dr. C. Owen Lovejoy zegt in het eerder genoemde Time Magazine-artikel: ‘Neem de genen die betrokken zijn in het scheppen van de hand, de penis en de ruggengraat. Deze delen sommige van dezelfde structurele genen (…) het is alsof je de bouwtekeningen voor twee verschillende stenen huizen zou vergelijken. De stenen zijn hetzelfde, maar de resultaten zijn erg verschillend.’ Het artikel zegt verder: ‘Deze moleculaire schakelaars liggen in de niet-coderende gebieden van het genoom – eerst geringschattend afval-DNA genoemd, maar later herdoopt als “de duistere materie” van het genoom.’
Het ‘evolueren’ van afval-DNA van ‘afval’ naar ‘duistere materie’ geeft aan dat het niet-coderende deel op de chromosoom geen overgebleven materiaal is en dat de wetenschap van de genetica nog een lange weg te gaan heeft om het doel en de werking van DNA in het cel producerende proces volledig te begrijpen.

Fossielen zijn de gemineraliseerde of anderszins bewaard gebleven overblijfselen of sporen van dieren, planten en andere levende organismen. Fossielen worden gevonden in rotsformaties en in lagen sediment (ook wel strata, ‘geologische laag’ genoemd). In veel schoolboeken worden de vondsten van fossielen aangekondigd als objectief en overtuigend bewijs voor de evolutietheorie. Evolutionisten beweren dat de aanwezigheid van fossielen van de eenvoudigere levensvormen in oude rotsen en geologische lagen en de aanwezigheid van meer ontwikkelde levensvormen in meer recente strata, een bewijs is dat door de tijd heen eenvoudige levensvormen zich verder hebben ontwikkeld.
Het feit dat oudere organismen minder ontwikkeld zijn dan de meer recente levensvormen is echter geen exclusief bewijs voor het evolutiemodel, maar bevestigt ook het scheppingsmodel.
Er zijn bovendien twee enorme tegenstrijdigheden tussen de gevonden fossielen en de fossielen die men zou verwachten te vinden volgens het evolutiemodel: het ontbreken van fossielen van de tussenliggende soorten en de zogenaamde Cambrische explosie.
Berra’s flater
 
In 1990 publiceerde Tim Berra, biologieleraar aan Ohio’s State University, een boek dat bedoeld was om de kritiek op de evolutietheorie te ontzenuwen. Om te laten zien hoe de vondsten van fossielen bewijs leveren van soorten die evolueerden van minder ontwikkelde en minder geavanceerde voorvaderen, gebruikte Berra een illustratie van diverse Corvette-automodellen. Hij schreef: ‘Als je een Corvette uit 1953 en een uit 1954 naast elkaar zet en ze vergelijkt, daarna een model uit1954 en een uit 1955, en ga zo maar door, dan is “afstamming met wijziging” voor de hand liggend.’ In de evolutionaire theorie betekent ‘afstamming’ echter biologische reproductie. Auto’s worden ontworpen en samengesteld, niet zomaar geboren. De analogie van de Corvettes bewees het tegenovergestelde van wat Berra wilde bewijzen – namelijk dat een opeenvolging van overeenkomsten geen bewijs is van biologische evolutie, maar een aanwijzing voor ontwerp!
 
Philip Johnson, Darwin-criticus en belangrijke bijdrager aan de huidige Intelligent Design-stroming, noemde dit Berra’s flater.
☼ Bewijsstuk 7: De vondsten van fossielen
Waar zijn de tussenliggende soorten?

Indien de evolutie zou kloppen, dan zouden nieuwe soorten zich langzamerhand ontwikkelen door middel van opeenvolgende kleine veranderingen. Als dat zo is, zou in de gevonden fossielen een overvloed aan organismen gevonden moeten zijn die door de tijd heen kleine veranderingen laten zien. De werkelijkheid laat echter het tegenovergestelde zien. De gevonden fossielen tonen het plotseling verschijnen van nieuwe soorten aan zonder enig bewijs van voorgaande, langzame ontwikkelingen. Daar komt dan nog bij dat de meeste fossielen die zijn gevonden niet van uitgestorven dieren en organismen zijn, maar van levensvormen die vergelijkbaar zijn met (en meestal identiek aan) levensvormen die vandaag de dag nog steeds bestaan. Al met al laten de gevonden fossielen geen enkel teken zien van ook maar enige verandering in welke soort dan ook. In de tijd van Darwin was dit reeds algemeen bekend en Charles Darwin zelf beschouwde dit als de meest serieuze uitdaging voor zijn theorie. Zoals hij zelf schreef:
 
Waarom is niet elke geologische formatie en elke geologische laag vol van zulke tussenliggende schakels? Geologie heeft zo’n fijne, langzaam ontwikkelde, organische keten niet onthuld; en dit is de meest voor de hand liggende en serieuze bedenking die men tegen de theorie kan inbrengen.
 
Darwin had gehoopt dat na verloop van tijd, met uitgebreider onderzoek en met behulp van verfijndere mogelijkheden, er alsnog fossielen van de tussenliggende schakels gevonden zouden worden. Ondanks de miljoenen en miljoenen fossielen die inmiddels zijn bestudeerd (‘97,7% van de momenteel in leven zijnde gewervelde landdieren is als fossiel geïdentificeerd’), zijn er nog nooit fossielen van tussenliggende soorten gevonden! Zoals Darwin zelf al toegaf, is dit het meest voor de hand liggende en serieuze bezwaar tegen zijn theorie! Als hij vandaag zou leven, zou hij gebaseerd op deze uitspraak niet meer in zijn eigen theorie kunnen geloven. 
Wat zijn de gevonden fossielen?
 
Verreweg het grootste aantal fossielen is afkomstig uit het zeeleven:
• 95% van alle fossielen is van ongewerveld zeeleven, vooral van schelpdieren.
• Van de overgebleven 5% bestaat 95% uit algen- en plantfossielen (4,75% van alle fossielen).
• Van de daarna overgebleven 0,25% bestaat 95% uit de andere ongewervelde dieren, inclusief insecten (0,23775%).
• De overgebleven 0,125% omvat alle gewervelde dieren, voornamelijk vissen. Van de kleine hoeveelheid gewervelde landdieren is van 95% minder dan een bot gevonden. Er zijn bijvoorbeeld slechts 1200 dinosaurusskeletten gevonden. Van de fossielen van de zoogdieren is 95% gedurende de ijstijd gevormd.
Dit alles heeft de schrijvers van evolutionaire boeken echter niet tegengehouden. Een van de studieboeken beweert bijvoorbeeld:
 
Vissen worden beschouwd als de meest primitieve levende gewervelde dieren (…) overeenkomsten in structuur en embryo-ontwikkeling laten zien dat vissen en moderne ongewervelde zoogdieren waarschijnlijk afstammen van dezelfde gemeenschappelijke ongewervelde voorvader die vele miljoenen jaren geleden leefde.
 
In het studieboek wordt echter geen enkel fossiel geïdentificeerd om deze bewering te onderbouwen.
Hetzelfde geldt voor de beroemde missing link (ontbrekende schakel) tussen aap (chimpansee) en mens, of de gemeenschappelijke voorouders die aap en mens volgens vele studieboeken en zelfs het bovengenoemde recente artikel in Time Magazine zouden hebben. Als mens en aap zijn geëvolueerd van gemeenschappelijke voorouders die miljoenen jaren geleden geleefd hebben, waar zijn dan de fossielen van deze voorouders en de tussenliggende levensvormen: de half mens/half aap? Jazeker, er zijn enkele botten, tanden en andere overschotten van zogenaamde menselijke voorouders gevonden, maar nader onderzoek heeft laten zien dat deze óf vrijwel gelijk zijn aan de moderne mens, óf afkomstig zijn van apen, óf niet overtuigend zijn, óf zelfs vervalsingen zijn. Beschikbaar materiaal is zeer zeldzaam en hoogst twijfelachtig. De wetenschappelijke gemeenschap schijnt niet in staat te zijn om enige overeenstemming te bereiken over hoe men dit moet opvatten en hoe deze vondsten moeten worden gedateerd. Vanwege het gebrek aan fossielen wordt in feite vaak het ‘ontdekken’ van een tand of een gedeelte van een bot gepresenteerd als een belangrijke nieuwe vondst, die dan wordt verklaard als een tussenliggende vorm. Dit is wel erg pover bewijs voor het bestaan van onnoemelijke miljoenen van tussenliggende fossielen.
Zoals Jonathan Wells uitlegt in zijn interview met Lee Strobel in het boek Case for a Creator:22
 
Een van de grootste problemen met paleoantropologie is dat in vergelijking met alle gevonden fossielen, we geloven dat slechts een minuscuul aantal daarvan afstamt van wezens die voorvaderen van het menselijk ras zijn. Vaak zijn het slechts schedelfragmenten of tanden. En dit geeft heel veel vrijheid in het reconstrueren van een exemplaar dat past in de evolutietheorie. Uiteraard maakt dit gebrek aan fossielen het ook vrijwel onmogelijk om de relatie te reconstrueren die er (zogenaamd) zou zijn tussen de voorvaderen en de afstammelingen. Een antropoloog vergeleek deze taak met het proberen om de plot van het boek Oorlog en vrede van Leo Tolstoj te reconstrueren door gebruik te maken van slechts dertien willekeurige pagina’s uit het boek.
 
Ondanks de overvloed van fossielen en overblijfselen van ‘voorhistorische’ apen, mensen en zelfs dinosaurussen, moeten evolutionisten nog steeds de evolutionaire menselijke voorouders zien te vinden!
 
De Cambrische explosie – de oerknal van het leven

Verrassend genoeg geven de gevonden fossielen wel een boeiende bevestiging voor het scheppingsmodel, doordat de zogenaamde Cambrische explosie, ofwel ‘de oerknal van het leven’ aangetoond wordt.
De Cambrische explosie was een geologische periode van ongeveer 5-10 miljoen jaar, die ongeveer 530 miljoen jaar geleden begon. Het wordt ook wel de oerknal van het leven genoemd omdat gedurende deze (korte) periode ineens de lichaamsstructuren (phyla genoemd) van bijna alle levende diersoorten zoals we die vandaag kennen alsmede die welke zijn uitgestorven, begonnen te bestaan. De fossielen van voor de Cambrische explosie bevatten uitsluitend kwallen, sponzen en wormen (alhoewel er geen bewijs voor langzame ontwikkeling is). Dan ineens aan het begin van het Cambrium (542-488 miljoen jaar geleden) zijn er, als een big bang, plotseling fossielen van alle phyla aanwezig.
Dit is in complete tegenspraak met Darwins theorie van de gemeenschappelijke voorouders. Deze dieren, fundamenteel totaal verschillend qua lichaamstructuur, verschijnen volledig ontwikkeld, totaal onverwacht, in wat evolutionaire paleontologen noemen ‘het enige, maar meest spectaculaire fenomeen van de gevonden fossielen’. De bekende paleontoloog James Valentine is het ermee eens dat de Cambrische explosie ‘echt is en te groot om af te doen als onregelmatigheden in de gevonden fossielen’. Nu er inderdaad steeds meer fossielen worden ontdekt, is het duidelijk dat de Cambrische explosie ‘zelfs onverwachter en intensiever was dan we ons eerst hadden voorgesteld’.23
Paleontoloog Harry Whittington, die de Cambrische explosie uitgebreid heeft bestudeerd in de Burgess Shale in de Rocky Mountains in het westen van Canada, schreef:
 
Ik kijk sceptisch naar diagrammen die de vertakkingen van de diverse diersoorten door de tijd heen weergeven als afstammend van één enkel soort dier (…). Dieren kunnen meer dan eens zijn ontstaan op verschillende plaatsen op verschillende momenten.’24

Lees Verder: Is de Bijbel WAAR?
Windmill Ministries
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu