8 DE GETUIGENIS VAN NIET-CHRISTELIJKE SCHRIJVERS - Gefundeerd Geloof

Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

Is de Bijbel waar?
8. De getuigenis van niet-christelijke schrijvers
Christus, aan wie de naam [christenen] ontleend is, leed de ultieme straf tijdens de heerschappij van Tiberius in de handen van één van onze procurators, Pontius Pilatus.’ 
(Romeinse historicus Tacitus [55-120 n.Chr.])
Bewijsstuk 18: Bevestigingen uit niet-christelijke bronnen
Sommige mensen hebben de indruk dat het enige bewijs voor het christelijk geloof de Bijbel zelf is (samen met andere christelijke bronnen uiteraard). Critici suggereren dat dit bewijs onbetrouwbaar is omdat de schrijvers bevooroordeeld waren door de christelijke boodschap.
Het is uiteraard een feit dat er buiten de Bijbel en de christelijke gemeenschap slechts een beperkt aantal verwijzingen naar de oorspong van het christendom te vinden is. Dat zou ons niet moeten verbazen. De vandaag beschikbare documenten zijn immers maar een willekeurige fractie van wat toen is opgeschreven. Vergeet ook niet dat in de vroegste fase de christelijke beweging niet in de schijnwerpers stond en van geringe betekenis was. Alle gebeurtenissen vonden plaats in een onbetekenende provincie aan de oostelijke rand van het Romeinse imperium.

Desalniettemin zijn er meer dan een dozijn niet-christelijke (Romeinse, Griekse en Joodse) bronnen die verwijzen naar de oorsprong van het christendom. Auteurs uit deze periode zijn onder anderen historici zoals Tacitus, Seutonius en Thallus; Joodse bronnen zoals Josephus en de Talmoed; Romeinse bestuurders en staatslieden zoals Plinius de Jongere en Keizer Trajanus en de Griekse schrijver Lucianus. Het combineren van deze bronnen biedt de lezer een schat aan bevestigingen van het historische plaatje zoals beschreven in de Bijbel.

De volgende schrijvers worden besproken:

  • Flavius Josephus (37 – ca. 100 AD)
  • Cornelius Tacitus (ca. 55-120 AD)
  • Gaius Suetonius Tranquillas (ca. 130 AD)
  • Thallus (ca. 52 AD) via Julius Africanus (ca. 221 AD) 
  • Pliny the Younger (ca. 61-113 AD)
  • The Jewish Talmud (ca. 70-200 AD)
  • Lucian of Samosata (second century AD)
  • Flavius Josephus (37-ca. 100 n.Chr.)

    Flavius Josephus was een Joodse militaire officier en een historicus. Hij was geboren in 37 n.Chr. en groeide op als Farizeeër. Hij nam deel aan de opstand tegen de Romeinse overheersing in 66 n.Chr. en de Joodse Raad stelde hem aan als de commandant van Galilea. In een vroeg stadium van de oorlog werd hij verslagen en door de Romeinen gevangen genomen. Zijn leven werd gespaard dankzij het ingrijpen van een vriend. Toen Vespasianus keizer werd in 69 n.Chr., werd Josephus een van zijn adviseurs en nam hij zelfs de familienaam van Vespasianus aan: Flavius. In het jaar 70 n.Chr. vergezelde hij Titus, de zoon van Vespasianus en generaal van het Romeinse leger, in zijn opmars naar en belegering van Jeruzalem. Diverse malen probeerde Josephus – zonder succes – de Joden te overtuigen zich over te geven om de belegering te beëindigen teneinde de slachting en de uiteindelijke verwoesting van de stad te voorkomen.
    Josephus deed een aantal boeken van aanzienlijke historische waarde het licht zien. In De Joodse Oorlog (77-78 n.Chr.) beschrijft hij het Romeins-Joodse conflict van de tijd van Antiochus Ephiphanes tot net na de val van Jeruzalem. Waarschijnlijk is Antiquitates Judaicae (‘Joodse Oudheden’) zijn belangrijkste werk. Het geheel bestaat uit twintig boekdelen die de Joodse geschiedenis vanaf de schepping tot het uitbreken van de oorlog met de Romeinen in 66 n.Chr. beschrijven. Zes boeken uit dit werk beschrijven het bestuur van Herodes de Grote en van Herodes Antipas, wat de tijdsperiode gedurende het leven van Jezus besloeg.[i]
    Van alle niet-christelijke schrijvers vertoont het werk van Josephus veruit de meeste raakvlakken met de verhalen in het Nieuwe Testament. Meestal betreft het een bevestiging van Bijbelse gebeurtenissen en sommige teksten van Josephus voegen zelfs informatie toe. In tabel 15-1 is een overzicht van Bijbelse gebeurtenissen en namen zoals we die ook aantreffen in de geschriften van Josephus.

    Testimony from Flavius Josephus

     

    Date

    Event

    Bible text

    Josephus text

    4 BC

    Archelaus ruler of Judea

    But when he heard that Archelaus was reigning in Judea

    Matthew 2:22

    So Caesar, …. gave the one half of Herod’s kingdom to Archelaus, by the name of Ethnarch….

    6,7 AD

    Roman annexation and assessment

    This was the first census that took place while Quirinius was governor of Syria . 

    Luke 2:2

    “…and Cyrenius [is Quirinius] , one that had been consul, was sent by Caesar to take account of people’s effects in Syria

    6,7 AD

    Revolt of Judas the Galilean

    “…Judas the Galilean appeared in the days of the census…

    Acts 5:37

    “…a certain Galilean, whose name was Judas, prevailed with his countrymen to revolt…”

     

    28 AD

    Pontius Pilate

    In the fifteenth year of the reign of Tiberius Caesar—when Pontius Pilate was governor of Judea …”

    Luke 3:1

    Now Pilate, who was sent as procurator into Judea by Tiberius…  

    29,30 AD

    John the Baptist

    “King Herod….. sent an executioner with orders to bring John’s head. The man went, beheaded John in the prison…”

     

    Mark 6:14-29

    “…a punishment of what he did against John, that was called the Baptist…who was a good man, and commanded the Jews to exercise virtue… and so to come to baptism …Herod, …thought it best, by putting him to death…[6]

    30-33 AD

    Jesus’ crucifixion

    All gospels, book of Acts

    Now, there was about this time Jesus, a wise man… he was a doer of wonderful works—a teacher of such men as receive the truth with pleasure. He drew over to him both many of the Jews, and many of the Gentiles. … when Pilate, at the suggestion of the principal men amongst us, had condemned him to the cross, those that loved him at the first did not forsake him…. and the tribe of Christians, so named from him, are not extinct at this day.”

    ca. 36 AD

    Joseph, also called Caiaphas

    All gospels mention Caiaphas

    … he also deprived Joseph, who was called Caiaphas, of the high priesthood…[8]

    ca. 36 AD

    Aretas IV, king of Nabateans

    “In Damascus the governor under King Aretas had the city of the Damascenes guarded in order to arrest me.

    2 Corinthians 11:32

    About this time Aretas (the king of Arabia Petrea) and Herod had a quarrel, on the account following: Herod the tetrarch had married the daughter of Aretas.

    44 AD

    Death of Herod Agrippa I

    …Herod, …did not give praise to God, an angel of the Lord struck him down, and he was eaten by worms and died.

    Acts 12:20-23

    “Agrippa … that he was a god… When he said this, his pain was become violent…. he had been quite worn out by the pain in his belly for five days, he departed this life…

    ca. 47 AD

    Ananias the high priest

    “At this the high priest Ananias ordered those standing near Paul to strike him on the mouth.”

    Acts 23:2

    “Herod, king of Chalcis, removed Joseph, the son of Camydus, from the high priesthood, and made Ananias, the son of Nebedeus, his successor.”

    ca. 57 AD

    James, the brother of Jesus

    The next day Paul and the rest of us went to see James, and all the elders were present.

     

     

    Acts 21:18

    “Ananus…assembled the sanhedrin of judges, and brought before them the brother of Jesus, who was called Christ, whose name was James, and some others, …, he delivered them to be stoned.”

    Ziet u hoe zeer de teksten van Josephus overeenstemmen met de documenten uit het Nieuwe Testament? Zelfs de details van Josephus passen perfect: de hogepriester Kajafas (‘Jozef, ook Kajafas genoemd’) en Ananias (Ananus); diverse Romeinse bestuurders inclusief Pontius Pilatus; Johannes de Doper en zijn onthoofding door Herodes; Jezus (twee keer, inclusief expliciete vermelding van zijn kruisiging onder Pilatus); Jakobus (‘de broer van Jezus, die ook Christus werd genoemd’) en zijn executie door de Joodse Raad, en Herodes Agrippa I inclusief de details van zijn dood die kloppen met het verhaal in Handelingen.
    Cornelius Tacitus (ca. 55-120 n.Chr.)

    Er is weinig bekend over het leven van de Romeinse historicus Cornelius Tacitus, maar zijn nog bestaande werken geven een beschrijving van onschatbare waarde over het Romeinse leven in de eerste eeuw n.Chr. Hij leefde tijdens het bestuur van een stuk of vijf Romeinse keizers en wordt zelfs de ‘grootste historicus’ van het klassieke Rome genoemd. In zijn werk Annales (Annalen, ca. 116 n.Chr.) beschrijft hij de vervolgingen van christenen onder Nero:
     
    Derhalve, om van dit bericht af te komen, gaf Nero de schuld aan en voerde hij de meest geraffineerde folteringen uit op een klasse die om hun slechtheid gehaat wordt, door het volk christenen genoemd. Christus, aan wie de naam ontleend is, leed de ultieme straf tijdens de heerschappij van Tiberius in de handen van één van onze procurators, Pontius Pilatus, en een hoogst verderfelijk bijgeloof, dat daardoor tijdelijk de kop werd ingedrukt maar dat later niet alleen in Juda weer uitbrak, de eerste bron van het kwaad, maar zelfs in Rome, waar alle dingen die afgrijselijk en schandelijk zijn uit alle hoeken van de wereld hun centrum vinden en populair worden. Zodoende werden allen die schuld bekenden gearresteerd; daarna werd, gebaseerd op hun informatie, een immense massa veroordeeld, niet zozeer vanwege de misdaad om de stad in brand te steken, maar om die van haat tegen de mensheid. Hoon van elke soort werd aan hun dood toegevoegd. Gehuld in dierenhuiden werden ze verscheurd door honden en vergingen, of ze werden aan kruisen genageld, of ze werden veroordeeld tot de vlammen en verbrandden, om als nachtverlichting te dienen, nadat het daglicht was heengegaan.

    In deze paragraaf bevestigt Tacitus dat:
    • Christus werd geëxecuteerd door Pilatus gedurende het bewind van Tiberius;
    • de beweging, waarvan de leden christenen werden genoemd, in Judea begon;
    • deze christenen werden geëxecuteerd door Nero op de meest verschrikkelijke manieren uit ‘haat tegen de mensheid’ (in 64 n.Chr.).
    • de kerk in Rome in het jaar 64 al groot genoeg was om de zondebok te zijn voor het afbranden van de stad.

    Gaius Suetonius Tranquillus (ca. 130 n.Chr.)

    Over de Romeinse historicus Gaius Suetonius Tranquillus is niet veel meer bekend dan dat hij de hoofdsecretaris was voor keizer Hadrianus (117-138 n.Chr.) en toegang had tot de keizerlijke archieven. Suetonius maakt twee verwijzingen naar Christus en de christenen. De eerste is:
     
    Omdat de Joden constant opwinding veroorzaakten op aandrang van Chrestus, verbande [Claudius] hen uit de stad.[1]
     
    Dit citaat refereert aan een opstand in de Joodse gemeenschap in Rome in 49 n.Chr. waardoor Claudius besloot de Joden uit de stad te verbannen. Dit is waarschijnlijk wat Aquila en Priscilla was overkomen zoals vermeld in Handelingen 18:2: ‘En hij [Paulus] vond daar een Jood, genaamd Aquila, van geboorte uit Pontus, die juist uit Italië gekomen was met Priscilla, zijn vrouw, omdat Claudius bevolen had, dat alle Joden Rome zouden verlaten; en hij kwam bij hen.’
    Suetonius’ tweede verwijzing is naar Nero’s vervolging van de christenen:
     
    Straffen werden door Nero opgelegd aan de christenen, een klasse mensen die zich had overgegeven aan een nieuw en boosaardig bijgeloof.[2]
     
    In deze twee verwijzingen bevestigt Suetonius dat:
    • in 49 n.Chr. de Joden in Rome ‘verstoringen’ veroorzaakten vanwege Christus; klaarblijkelijk was er toen reeds een christelijke kerk in Rome (slechts zestien jaar na de opstanding van Christus);
    • in 64 n.Chr. christenen werden vervolgd door Nero (en blijkbaar was er toen reeds een christelijke gemeenschap in Rome die groot genoeg was om als zodanig geïdentificeerd te kunnen worden).
     
    Thallus (ca. 52 n.Chr.) via Julius Africanus (ca. 221 n.Chr.)

    Een ietwat twijfelachtige verwijzing naar gebeurtenissen tijdens de kruisiging komt indirect via de vroege kerkschrijver (uit de derde eeuw) Julius Africanus. Hij refereert aan een verloren gegaan historisch werk uit de eerste eeuw van de Samaritaanse historicus Thallus. Julius Africanus (160-240 n.Chr.) schrijft:
     
    Thallus verklaart, in het derde boek van zijn geschiedenis, de duisternis eenvoudig als een zonsverduistering – maar dat lijkt mij ongegrond. (…) Phlegon vermeldt dat er in de tijd van keizer Tiberius een volledige zonsverduistering was van het zesde tot het negende uur.
     
    Blijkbaar probeerde Thallus in 52 n.Chr. een mysterieuze duisternis (de duisternis die vermeld staat in Matteüs 27:45 gedurende de kruisiging van Jezus?) uit te leggen als een zonsverduistering. Julius Africanus beargumenteert dat er in het midden van een complete maancyclus (de Joodse maand Nisan was gebaseerd op een maancyclus, de 14de van die maand was het Pascha, het Joodse paasmaal) geen zonsverduistering mogelijk is. Tevens verwijst hij naar een – verloren gegaan – werk van Phlegon waarin deze verduistering eveneens was beschreven.
    De indirecte verwijzing en de link naar de kruisiging maken dit citaat kwetsbaar voor kritiek. Het blijft echter intrigerend om een verwijzing naar een bovennatuurlijke gebeurtenis te vinden door een niet-christelijke bron.
     
    Plinius de Jongere (ca. 61-113 n.Chr.)

    Gaius Plinius Caecilius Secundus (bijgenaamd de Jongere) was de neef en (na de dood van zijn vader) ook de geadopteerde zoon van Plinius de Oudere. Rond het jaar 110 n.Chr. wordt Plinius door zijn vriend keizer Trajanus naar Bithynia (in wat we nu kennen als Turkije) gestuurd om een aantal ongeregeldheden in het bestuur aldaar te onderzoeken. Gedurende deze tijd schreef hij de keizer om advies te vragen over hoe hij de christenen in zijn provincie moest behandelen, omdat hij er zo veel moest executeren. Plinius schrijft rond 112 n.Chr. (uittreksel uit een veel langere brief):
     
    (…) dat zij gewoon waren op een vaststaande dag voor zonsopgang samen te komen en in beurtzang een hymne op Christus, als op een god, te reciteren en zich door een heilige handeling te verplichten, niet tot enig misdrijf, maar om geen diefstal, roof of ontucht te begaan, geen woordbreuk te plegen, geen opvordering van toevertrouwd goed te verloochenen. Daarna was het hun gewoonte  uiteen te gaan en later weer samen te komen om spijs te gebruiken, maar heel gewoon en onschuldig voedsel.
     
    Uit deze brief van Plinius volgt dat:
    • de christenen Christus als God aanbaden;
    • zij zich verplichtten tot een leven volgens hoge ethische waarden;
    • zij waarschijnlijk bijeenkwamen voor een gezamenlijke maaltijd op een vaste dag van de week voordat het licht werd;
    • er reeds in het begin van de tweede eeuw een redelijk grote christelijke gemeenschap bestond in Bithynia.
     
    Keizer Trajanus antwoordt op de brief van Plinius:
     
    U hebt, mijn waarde Plinius, op de juiste manier gehandeld tegenover hen die als christenen bij u waren gebracht. Want het is niet mogelijk hiervoor algemene en duidelijke regels vast te stellen. De christenen moeten niet worden opgespoord. Als zij worden aangebracht en schuldig bevonden, moeten zij worden gestraft. Maar wie ontkent christen te zijn en dat aantoont door onze goden te aanbidden, moet door zijn berouw vergiffenis krijgen. Lijsten van onbekenden echter mogen bij geen enkele aanklacht een rol spelen. Dat zou een zeer slecht voorbeeld zijn en niet behorend bij onze tijd.
     
    De brief van Trajanus bevat geen additionele bevestigingen van de Bijbelse teksten of van de vroege kerk, maar geeft waardevolle inzichten in de officiële Romeinse visie over de groeiende beweging. Het toont ook dat de vervolgingen plaatsvonden en christenen tijdens de dagen van Trajanus – met enige beperkte terughoudendheid – werden geëxecuteerd vanwege hun geloof.
     
    De Joodse geschriften (ca. 70-220 n.Chr.)

    De Talmoed is een verzameling (in eerste instantie uitsluitend mondelinge) Joodse overleveringen (de Misjna) en Bijbelcommentaren (de Gemara). De geschriften van de Talmoed zelf zijn uit de ongeveer 500 n.Chr. maar ze bevatten volgens deskundigen ook oudere overleveringen. Veruit de meest significante tekst over Jezus Christus wordt gevonden in Sanhedrin 43a welke wordt gedateerd tot uiterlijk 220 n.Chr.:
     
    Op de avond van het Pascha werd Yeshu [Jezus] opgehangen. Veertig dagen lang ging een heraut voor hem uit, luid roepende: Jezus zal gestenigd worden omdat hij toverij heeft bedreven en Israël heeft begoocheld en misleid; laat ieder die iets tot zijn verdediging te zeggen heeft, naar voren komen om hem te verdedigen. Niemand kwam om hem te verdedigen, en dus hingen ze hem op op de avond voor het Pascha.
     
    Zoals te verwachten is dit verslag geschreven vanuit een Joods standpunt en het bevat een twijfelachtige verwijzing naar een aankondigingsperiode van veertig dagen. Ook is er geen zekerheid dat de in die periode zeer algemeen gebruikte naam Yeshu (of Yeshua of Yeshoshua) refereert aan Jezus van Nazaret. Hoewel de vermelding dat deze Yeshu rond het Joodse Paasfeest werd geexecuteerd het meer aanmemelijk maakt dat dit geen andere Jezus betreft. De tekst is echter een solide bevestiging van het feit en de datum van executie door ‘hangen’, een woord dat ook werd gebruikt voor ‘kruisiging’ (zie bijvoorbeeld vergelijkbare woorden in Galaten 3:13 en Lucas 23:39).
     
    Lucianus van Samosata (tweede eeuw n.Chr.)

    Een Griekse satiricus uit de tweede eeuw, Lucianus van Samosata, schrijft een sarcastische kritiek over het christendom:
     
    De christenen aanbidden iemand tot op de huidige dag – de bijzondere persoon die hun nieuwlichterijrituelen introduceerde, en om die reden werd gekruisigd. (…) deze arme mensen hebben het in hun hoofd gehaald te geloven dat zij onsterfelijk zijn (…). Dit is ook de reden waarom zij de dood verachten en velen van hen zelfs hem vrijwillig aanvaarden. Bovendien heeft hun eerste wetgever hen geleerd dat ze allemaal broeders van elkaar zijn, en zij loochenen de Griekse goden, en aanbidden die gekruisigde wijze en leven volgens zijn wetten. Dat alles nemen zij in geloof aan, met als gevolg dat ze alle wereldlijke goederen veronachtzamen, en ze als gemeenschappeljk bezit beschouwen..
     
    De satire van Lucianus toont dat:
    • de christenen een gekruisigde man, Christus, aanbaden;
    • deze Christus nieuwe ideeën introduceerde, waarvoor hij werd gekruisigd;
    • de christenen deze ideeën en regels van Christus volgden en bereid waren ervoor te sterven.
     
    Samenvatting van de niet-christelijke getuigenissen
    In de woorden van dr. Gary Habermas:
     
    In totaal zijn er ten minste zeventien niet-christelijke teksten die meer dan vijftig details beschrijven over het leven, het onderwijs, de dood en de opstanding van Jezus, plus details over de allervroegste kerk. Jezus’ dood wordt het meest gerapporteerd en genoemd door twaalf bronnen. Deze wereldlijke bronnen gaan terug tot ongeveer 20 tot 150 jaar na Jezus’ dood en zijn daarom vrij vroeg naar de maatstaf van oudheidkundige geschriften.
     
    Deze teksten bevestigen allereerst dat Jezus van Nazaret, ook bekend als Christus, een historische persoon was. Tevens verrichtte Hij wonderen, leidde discipelen en werd aanbeden als God. De niet-christenen vermelden ook dat Hij een goede leraar of sage (filosoof) was en dat zijn onderricht betrekking had op bekering, loochening van andere goden, samenkomsten, gemeenschap en leven na de dood. Ten slotte zijn er meerdere bevestigingen van Jezus’ kruisiging onder Pontius Pilatus gedurende het bestuur van Tiberius en de claims van zijn volgelingen dat Hij nog steeds in leven was.
    Tevens bevestigt Flavius Josephus het bestaan van meer dan zes personen uit het Nieuwe Testament en diverse gebeurtenissen zoals beschreven in de Schrift. Zijn bevestigingen hebben onder andere betrekking op de dood van Johannes de Doper en Jakobus de broer van Jezus. Van de Romeinse en Griekse schrijvers komen we additionele details te weten over hoe het christendom zich verspreidde in de eerste jaren en hoe de wereld uit de eerste eeuw daarop reageerde.

    Windmill Ministries
    Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu