2 De Teksten van het Oude Testament - Gefundeerd Geloof

Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

Is de Bijbel waar?
De Teksten van het Oude Testament
‘Want het schriftwoord zegt tot Farao: Daartoe heb Ik u doen opstaan, opdat Ik in u mijn kracht zou tonen en mijn naam verbreid zou worden over de gehele aarde.’
(Romeinen 9:17)
De originele geschriften van alle 39 boeken van het Oude Testament zijn al heel lang geleden verloren gegaan. Dit schept een ernstig probleem: kunnen we dan, zonder originele documenten, zelfs geen kleine fragmenten, de teksten van het Oude Testament reconstrueren uit de oudste nog bestaande geschriften? Kunnen we erop vertrouwen dat door de tijd heen en ondanks talrijke kopieën, de originele teksten niet zijn gewijzigd en/of misschien zelfs gedeeltelijk verloren zijn gegaan? Zeer uitgebreid onderzoek en een nauwkeurige analyse van bewaarde gebleven oude geschriften hebben wetenschappers veel geleerd over de betrouwbaarheid van het kopiëren van oude manuscripten.
Papyrus, perkament en perkamentrollen

De vergankelijkheid van het schrijfmateriaal is de reden dat de originele Oude Testament manuscripten (wat letterlijk ‘handgeschreven kopie’ betekent) niet bewaard zijn gebleven. Het meest voorkomende schrijfmateriaal was papyrus, een papiersoort die van papyrusriet werd gemaakt. In een droog klimaat blijft papyrus lang in een goede staat, maar in vochtiger klimaten vergaat het materiaal snel en is na een aantal eeuwen verloren.
In de tijd van Jezus was perkament, een schrijfmateriaal dat van dierenhuid werd gemaakt, meer gangbaar geworden. Het perkament werd uitgerekt, afgeschraapt en gedroogd. Net zoals papyrus was het kwetsbaar voor vochtigheid, maar het was een duurzamer alternatief. Kalfsperkament werd gemaakt van kalfshuid. Rond de vijfde eeuw was papyrus vrijwel overal vervangen door perkament.
Zowel papyrus als perkament werden als lange vellen gebruikt. Deze werden om een stok gewikkeld en vormden zo een perkamentrol. De gemiddelde lengte van de rollen varieerde tussen de 7 en 10 meter en de rollen waren zelden langer dan 45 meter. Het was gebruikelijk om slechts op één kant van het perkament te schrijven.
In de tweede eeuw werden rollen vervangen door zogenaamde codices. Om het lezen gemakkelijker en de rol minder omvangrijk te maken werden de papyrus/perkamentvellen aan beide kanten beschreven en daarna samengesteld in een bladvorm waardoor een primitief boek (een codex) werd gevormd. De introductie van papier in de laatste helft van de Middeleeuwen zorgde ervoor dat men het perkament op grote schaal vaarwel zei.1
 
Hoe nauwkeurig was het kopieerproces?

Om de integriteit van het Oude Testament te bewaren moesten de teksten door de eeuwen heen telkens op nieuwe rollen worden overgeschreven. Deze taak werd toegewezen aan vrome Joden die bekendstonden als overschrijvers. Overschrijvers werden in de oudheid als vakkundige personen beschouwd. Ze werden gedurende vele jaren opgeleid om documenten te kopiëren. Ze begonnen als leerling en werkten zich daarna op. Deze overschrijvers geloofden dat deze rollen de woorden van God zelf waren en gingen daarom uitermate eerbiedig en zorgvuldig te werk bij het kopiëren ervan. Ze werkten niet haastig of snel. Hun schoonschrijfkunst werd een aantal keren minutieus op fouten gecontroleerd. Zelfs de kleinste foutjes hadden afkeuring van hun werk tot gevolg.
Van generatie tot generatie werd een reeks van priesters en overschrijvers opgedragen de Bijbelse teksten te preserveren. Gedurende de vroege Middeleeuwen werden de overschrijvers die de Hebreeuwse Bijbel kopieerden masoreten genoemd. De masoreten waren verantwoordelijk voor het behouden van de heilige teksten van het Oude Testament gedurende de periode van 500 n.Chr. tot 950 n.Chr. Een complete en veelgebruikte kopie van het Hebreeuwse Oude Testament dateert van deze periode en wordt de masoretische tekst genoemd.
Deze masoreten waren minutieus in hun kopieerwerk. Wanneer ze klaar waren met het kopiëren van een boek, dan telden ze het aantal letters van de kopie en vergeleken dat met het aantal letters van het originele werk. Daarna werd de middelste letter in het boek opgezocht en ook dat werd met het origineel vergeleken. Wanneer variaties werden gevonden, werd de kopie vernietigd en begon het kopiëren helemaal opnieuw.
Tot aan deze tijd had het geschreven Hebreeuws slechts 22 medeklinkers en geen klinkers. De teksten waren allemaal in hoofdletters en met alleen medeklinkers geschreven, en hadden geen interpuncties en geen paragraafindeling. De masoreten hebben het geschreven Hebreeuwse klinkersysteem uitgedacht. Door dit toe te voegen aan de originele oudtestamentische teksten kreeg elk woord zijn precieze uitspraak en goede taalkundige vorm.
Alle huidige kopieën van de Hebreeuwse teksten van deze periode stemmen opmerkelijk overeen. Vergelijking van de masoretische tekst met de vroegere Latijnse teksten (Vulgaat) en de Griekse teksten (Septuagint) heeft heel nauwkeurig kopiëren aangetoond. Dit duidt op weinig afwijkingen gedurende de duizenden jaren voorafgaand aan 900 n.Chr. Tot voor kort was er nauwelijks materiaal uit de Hebreeuwse oudheid beschikbaar dat te vergelijken was met de masoretische teksten van de tiende eeuw. Door het ontbreken van oudere Hebreeuwse teksten bleef men hardnekkig de betrouwbaarheid van het kopieerproces ter discussie stellen, totdat in 1947 de Dode Zeerollen werden gevonden.
☼ Bewijsstuk 1: De Dode Zeerollen
Een jonge bedoeïen vond in 1947 vreemde potten van klei in de grotten bij Qumran vlak bij de vallei van de Dode Zee. In de potten bevonden zich lederen rollen. Dit heeft geleid tot de ontdekking van 40.000 fragmenten van wel 870 verschillende rollen uit 11 verschillende grotten gedurende het tijdperk van 1947 tot 1956. Koolstof-14-datering (een zeer betrouwbare dateringsmethode voor organisch materiaal uit deze tijdsperiode) en tekstuele en handschriftanalyses tonen aan dat deze rollen in de periode van 250 v.Chr. tot 68 n.Chr. zijn geschreven.
De Dode Zeerollen worden beschouwd als een van de meest markante archeologische ontdekkingen van de twintigste eeuw. De rollen hebben aangetoond dat een leefgemeenschap van landbewerkers, de Essenen genaamd – waarschijnlijk een Joodse, strikt de Thora nalevende sekte – floreerde in het gebied van ongeveer 150 v.Chr. tot 70 n.Chr.
De Essenen worden door de Joodse geschiedkundige Josephus en door een aantal historici genoemd, maar staan in het Nieuwe Testament niet vermeld. Ze hebben kennelijk, toen de Romeinen het land binnendrongen, hun gekoesterde rollen in potten gedaan en deze in de grotten van het rotsachtige gebied ten noordwesten van de Dode Zee verborgen.
Recente studies van de rollen suggereren dat de Dode Zeerollen naast de geschriften van de Essenen mogelijk ook teksten van andere stromingen bevatten. Vermoedelijk zijn ook teksten uit de tempel in Jeruzalem hier in veiligheid gebracht (bijvoorbeeld de hieronder genoemde koperen rol met de tempelschatten).
De rollen waren, zoals in die tijd de gewoonte was, voornamelijk gemaakt uit dierenhuiden (ongeveer 85%), maar ook van papyrus (15%) en er was er zelfs één van koper. Ze waren met een op koolstof gebaseerde inkt beschreven van rechts naar links, zonder het gebruik van leestekens met als enige uitzondering af en toe een paragraafaanduiding. In sommige gevallen stonden er zelfs niet eens spaties tussen de woorden. De meeste teksten waren in het Hebreeuws, sommige in het Aramees en een enkele in het Grieks.
De Dode Zeerollen kunnen worden onderverdeeld in vier groepen:
 Oudtestamentische teksten. Grofweg geschat bestaat ongeveer 30% van de Dode Zeerollen uit Bijbelse teksten. Er zijn gehele of gedeeltelijk kopieën van elk oudtestamentisch boek gevonden behalve van het boek Ester. De best bewaarde rol bevat het boek Jesaja en bestaat uit een complete kopie van het boek en 21 andere gedeeltelijke manuscripten. Andere fragmenten bevatten 39 manuscripten uit het boek Psalmen, 33 uit het boek Deuteronomium, 24 uit het boek Genesis, 18 uit het boek Leviticus en 1 tot 10 (fragmenten) van alle andere boeken uit het Oude Testament.
 Apocriefe boeken. Ook werden er gedeeltelijke kopieën van de apocriefe (‘verborgen’) boeken gevonden; deze bevatten Henoch, Tobit en Wijsheid van Jezus Sirach.
 Religieuze, niet-Bijbelse teksten. Verder werden er, verdeeld over de rollen, een groot aantal religieuze documenten gevonden, waaronder uitleg van het Oude Testament, psalmachtige liederen, gebeden en profetieën.
 Sektarische teksten. Ten slotte werden er nog een aantal voorschriften over het geloof en de reglementen en voorwaarden tot toetreding van de sekte gevonden, zoals: Manual of Discipleship (regel van de gemeente), The War Scroll (de oorlogsrol) en The Copper Scroll (de koperen rol).

De Dode Zeerollen gaven nieuw inzicht in het dagelijks leven van een Joodse gemeenschap in de dagen van Jezus, maar hun allergrootste belang was hun bevestiging van de betrouwbaarheid van de oudtestamentische teksten zoals deze door de eeuwen heen waren gekopieerd. De rollen gaven toegang tot zeer omvangrijke manuscripten van het Hebreeuwse Oude Testament die wel 1100 jaar ouder zijn dan de masoretische teksten. Een vergelijking van deze teksten met de masoretische teksten (voor zover dat mogelijk was) laat zien dat het kopieerproces inderdaad heel erg nauwkeurig was en er nauwelijks veranderingen of toevoegingen waren aangebracht. Daarom is het logisch te concluderen dat de masoretische schriftgeleerden waarschijnlijk net zo getrouw zijn geweest in het kopiëren van de andere Bijbelteksten die niet met het Qumranmateriaal werden gevonden.
De betekenis van deze vondst, en vooral van het boek Jesaja, werd benadrukt door Merrill F. Unger: ‘Dit complete document van Jesaja zorgde zeer begrijpelijk voor sensatie, omdat dit het eerste belangrijke Bijbelse document van grote ouderdom was dat ooit werd gevonden. Er bestond hiervoor met name grote belangstelling omdat het meer dan duizend jaar eerder gedateerd werd dan de oude Hebreeuwse teksten die bewaard waren gebleven in de masoretische traditie.’
Wat werd er ontdekt? Een vergelijking van het Qumrandocument van Jesaja met de masoretische tekst onthulde dat beide nagenoeg identiek waren: ‘Van de 166 woorden in Jesaja 53 staan er slechts zeventien letters ter discussie. Tien van deze letters hebben slechts te maken met de spelling, wat geen effect op de betekenis heeft. Vier andere letters zijn kleine stijlveranderingen zoals een voegwoord. De overgebleven drie letters vormen het woord ligh, dat is toegevoegd in vers 11 en heeft geen groot effect op de betekenis. (…) Dus, in een hoofdstuk van 166 woorden is er slechts één woord (drie letters) dat na duizend jaar van kopiëren ter discussie staat – en dit woord geeft geen betekenisvolle verandering aan de bedoeling van de zinsnede.’
De oudheidkundige Gleason Archer stelde vast dat de kopieën van het boek Jesaja uit de Qumranleefgemeenschap ‘bewezen dat meer dan 95% van de teksten woord voor woord hetzelfde is als onze standaard Hebreeuwse Bijbel. De variatie van 5% bestond voornamelijk uit duidelijk herkenbare schoonheidsfoutjes en variaties in de schrijfwijze.’
In zijn boek Can I trust my Bible? concludeerde R. Liard Harris: ‘We kunnen nu, zelfs teruggaande tot 225 v.Chr., met grote zekerheid vaststellen dat de kopieerders met grote nauwkeurigheid en zorgvuldigheid aan het Oude Testament werkten. (…) inderdaad, het zou nu ongefundeerd scepticisme zijn om te ontkennen dat we een Oud Testament hebben dat hetzelfde is als het Oude Testament dat door Ezra werd gebruikt om er het woord van God uit te onderwijzen aan degenen die waren teruggekeerd uit de Babylonische ballingschap.’
De Dode Zeerollen bevestigen op een overweldigende manier dat het Oude Testament de reis door de eeuwen heen goed heeft overleefd. Zoals Eugene Ulrich, professor aan de Universiteit Notre Dame en hoofdredacteur van de Qumran Bijbelteksten voor Oxfords Discoveries in the Judean Desert-serie, opmerkte: ‘De rollen hebben aangetoond dat onze traditionele Bijbel gedurende tweeduizend jaar op een wonderbaarlijk nauwgezette manier is bewaard gebleven.’    
☼ Bewijsstuk 2: De Septuagint of LXX
Nadat het noordelijke koninkrijk (Israël) door de Syriërs was ingenomen (722 v.Chr.) en het zuidelijke koninkrijk (Juda) door de Babyloniërs was verwoest (586 v.Chr.), werd de Joodse bevolking gedeporteerd. Aan het einde van de ballingschap keerden velen naar hun vaderland terug, maar anderen verspreidden zich over de wereld. Op grote afstand van Juda verleerden veel Joden het gebruik van de Hebreeuwse taal doordat Grieks hun hoofdtaal werd. Dit gaf een groeiende behoefte aan een Griekse vertaling van de Hebreeuwse Schrift.
De grootste Joodse leefgemeenschap uit die tijd was in Alexandrië (Egypte) en dit was ook het centrum van Grieks onderwijs. Volgens de traditie (die wordt ondersteund door de legende van Ptolemaeus) zijn op verzoek van de Joden in Alexandrië in het jaar 285-270 v.Chr. zo’n zeventig Hebreeuwse schriftgeleerden naar deze stad gereisd waar ze een vertaling maakten die nu als de Septuagint bekendstaat. Deze naam komt van het Latijnse woord voor zeventig en wordt ook weergegeven als LXX (de Latijnse cijfers voor 70). Het is niet met zekerheid te concluderen dat de complete LXX is vertaald in de periode 285-270 v.Chr.. Het is aannemelijk dat in eerste instantie slechts de Thora is vertaald en dat de rest van het Oude Testament later is gebeurd. Op grond van de tekst van de Proloog op Jezus Sirach is duidelijk dat de LXX in ieder geval in 130 v.Chr. gereed was, mogelijk zelfs rond 160 v.Chr..
De vertaling werd in het algemeen, zeker gezien de middelen die men in die tijd ter beschikking had en de uitdagingen waarmee de vertalers werden geconfronteerd, met grote zorg uitgevoerd. Desondanks kan een klein aantal verschillen worden vastgesteld als we de LXX en de Hebreeuwse (masoretische) teksten met elkaar vergelijken. Met behulp van de Dode Zeerollen is het grootste deel van deze verschillen nu geïdentificeerd en ze blijken veroorzaakt te zijn doordat de vertalers hoogstwaarschijnlijk een andere Hebreeuwse tekst gebruikten die behoorde tot wat men nu de Proto-Septuagint-familie noemt.
Naast de 24 boeken van het Hebreeuwse Oude Testament bevatte de LXX een aantal extra boeken en ook uitbreidingen voor boeken die circuleerden in de Griekssprekende wereld, maar die niet bij de Hebreeuwse teksten waren inbegrepen. Deze boeken staan nu bekend als de apocriefen van het Oude Testament.
Er was in de oudheid veel respect voor de LXX. Philo en Josephus vermeldden zelfs dat de schrijvers onder goddelijke inspiratie werkten. De LXX vormde de basis voor de oude Latijnse versies en wordt nog steeds in zijn geheel gebruikt binnen de Oosters-Orthodoxe Kerk. Daarnaast is de LXX ook de basis voor de Gotische, de Slavonische, de oude Syrische, de oude Armenische en de Koptische versies van het Oude Testament.
Het is van grote betekenis voor alle christenen en Bijbelgeleerden om te weten dat de LXX werd geciteerd door zowel de schrijvers van het Nieuwe Testament als door de leiders van de vroege kerk. De eerste christenen – hun groep bestond al snel uit een meerderheid van niet-Joden en was daardoor niet bekend met de Hebreeuwse taal – gebruikten als vanzelfsprekend de LXX omdat het de enig beschikbare Griekse versie was. De oudste nog bestaande LXX codices dateren uit de vierde eeuw n.Chr..

Het belang van de LXX als bevestiging voor de betrouwbaarheid van de teksten van het Oude Testament is tweeledig:
                        
Bevestiging van de masoretische teksten. Alhoewel er verschillen bestaan tussen de LXX en de masoretische teksten, zijn deze verschillen in het algemeen erg klein. Zoals Norman Geisler en William Nix verklaarden:
De LXX was in het algemeen trouw aan de interpretatie van de originele Hebreeuwse teksten, alhoewel sommigen blijven volhouden dat de vertalers niet altijd goede Hebreeuwse Bijbelgeleerden waren. Het belang van de LXX kan op diverse manieren worden gezien. Hij heeft de religieuze kloof tussen de Hebreeuws- en Griekstalige mensen overbrugd. Hij voorzag in een behoefte voor de Joden in Alexandrië. Hij overbrugde de historische kloof tussen het Hebreeuwse Oude Testament van de Joden en de Griekssprekende christenen die de LXX samen met hun Nieuwe Testament gebruikten. Hij schiep een precedent voor zendelingen om vertalingen van de Schrift in diverse talen en dialecten te maken. Hij overbrugde de kloof van tekstuele kritiek door de aanmerkelijke overeenkomst met de Hebreeuwse oudtestamentische teksten (אא, A, B, C, enz.). Alhoewel de LXX zich niet kan meten met de voortreffelijkheid van de Hebreeuwse oudtestamentische teksten, is hij wél een indicatie van de puurheid van de Hebreeuwse teksten.
 
Bevestiging van vroegere teksten. De LXX was vanuit de Hebreeuwse Schrift vertaald gedurende de jaren 285-130 v.Chr. Dit omvatte alle 24 boeken van het Hebreeuwse Oude Testament. Daarom bevestigt het bestaan van de LXX dat het Oude Testament al voor deze tijd in geschreven vorm wijd en zijd beschikbaar was. De profetieën uit het boek Daniël over het Griekse en Romeinse rijk, evenals de uitgebreide profetieën over de Messias in het boek Daniël, Jesaja en vooral in het boek Psalmen (met name Psalm 22), zijn dus geschreven ver voordat de feitelijke gebeurtenissen plaatsvonden.             
☼ Bewijsstuk 3: Canonvorming van het Oude Testament
Het woord canon stamt van het Griekse woord kanon een roede, liniaal, staf of meetlat. De Bijbelse canon is de lijst van boeken die door de leiders van de kerk (gebaseerd op objectieve criteria) zijn geaccepteerd als het geïnspireerde Woord van God dat met autoriteit en nauwkeurigheid de historische relatie tussen God en zijn volk vastlegt.
Voor het Oude Testament was de canon oorspronkelijk impliciet en onbetwist. Toen de Thora werd geschreven, werd deze meteen als door God geïnspireerd erkend, met grote eerbied behandeld en onderhouden door de priesters. De meeste andere boeken uit het Oude Testament werden op een dergelijke manier behandeld. Terwijl het Joodse volk floreerde onder toezicht van richteren en koningen, en profeten werden erkend als mannen van God, werden hun geschiedenis en profetieën door priesters en schriftgeleerden opgeschreven en bewaard. Nadat de bevolking van de twee Joodse koninkrijken in ballingschap weggevoerd was, werd dit een probleem. Desondanks was het werk nog steeds te overzien omdat de priesters in Jeruzalem doorgingen met het onderhouden van de Schrift. De eerste serieuze discussie over de canon begon met het vertalen van de LXX. Een aantal van de in de LXX opgenomen teksten waren geen onderdeel van de Schrift die door Jeruzalem was erkend. Dit waren voornamelijk handschriften van ná 400 v.Chr., want de Joden in Jeruzalem beschouwden Maleachi (ca. 450 v.Chr.) als de laatste profeet. Dat de Hebreeuwse canon reeds vóór het jaar 150 v.Chr. informeel was vastgelegd, wordt bevestigd door de diverse rabbijnse geschriften10 waarin men verklaarde dat ‘de stem van God was gestopt met direct tot mensen te spreken’. Met andere woorden: de profetische stem was stilgevallen omdat er zonder profeten geen nieuwe Bijbelse openbaringen waren.
Critici hebben wel gedacht dat de groei van het christendom (dat gedurende de allereerste tijd alleen de LXX gebruikte) de Joodse leiders heeft genoodzaakt een formele canon vast te stellen, maar die opvatting wordt tegenwoordig niet meer aangehangen. De vaststelling van de Hebreeuwse canon moet plaats hebben gevonden voor de verdeling in rivaliserende Joodse groepen (Essenen, Farizeeёn, Sadduceeёn), uiterlijk halverwege de tweede eeuw v.Chr., dus ruim voor de opkomst van het christendom.
De complete canon van de Hebreeuwse Bijbel bevat dezelfde boeken en teksten (slechts in een iets andere volgorde) als het moderne protestantse Oude Testament. In 1546 evenwel accepteerde de Rooms-Katholieke Kerk de hele Septuagint als de canon voor haar Oude Testament. Daarom bevatten de rooms-katholieke Bijbels de toegevoegde apocriefe boeken uit het Oude Testament (ook wel deuterocanonieke boeken genoemd – ‘tweede canon’). Deze boeken zijn Tobit, Judit, Toevoegingen op Ester, I en II Makabeeën, Wijsheid van Salomo, Wijsheid van Jezus Sirach, Baruch, Brief van Jeremia, Toevoegingen bij Daniël en het Gebed van Manasse.
De Oosters-Orthodoxe Kerk heeft de Septuagint als canon voor haar Oude Testament geaccepteerd en heeft daar nog de boeken van III en IV Ezra, Psalm 151 en III Makabeën, met als een aanhangsel IV Makabeeën aan toegevoegd.

                           
Windmill Ministries
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu