5.2 De Synoptische Evangelien en Handelingen der Apostelen - Gefundeerd Geloof

Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

Is de Bijbel waar? > Auteurschap v/h NT
☼ Bewijsstuk 11: De synoptische evangeliën en Handelingen
De eerste drie evangeliën zijn Matteüs, Marcus en Lucas. Er is geen diepgaande studie voor nodig om op te merken dat deze drie documenten veel informatie gemeen hebben (figuur 12-1 laat deze relaties zien). Traditioneel wordt er daarom naar verwezen als de synoptische evangeliën, omdat ze zich lenen voor een synoptisch overzicht: een vorm waarin ze gezamenlijk kunnen worden bestudeerd.

Het merendeel, d.w.z. 606 van de 661 verzen (ongeveer 90%), van het boek Marcus komt ook voor in Matteüs. Dat betekent dat van de 1068 verzen die Matteüs bevat er zo’n 500 verzen (bijna de helft) zijn die informatie bevatten die ook in Marcus kan worden gevonden. Ongeveer hetzelfde geldt voor Lucas: 350 verzen uit Marcus verschijnen in bijna dezelfde stekking in het Lucasevangelie. Dus van de 1149 verzen van Lucas zijn er 350 (ongeveer 30%) parallel met Marcus. Slecht 31 verzen in Marcus zijn uniek voor dit evangelie. Dit heeft geleid tot de algemeen aanvaarde gedachte dat Marcus het eerst geschreven evangelie moet zijn geweest en dat zowel Lucas als Matteüs een gehele of een gedeeltelijke kopie van Marcus ter beschikking hadden tijdens het schrijven van hun eigen evangelie.
Als we Lucas vergelijken met Matteüs dan zien we dat deze twee evangeliën ongeveer 250 verzen met gemeenschappelijk materiaal hebben dat niet in Marcus wordt gevonden. Dan blijven er ongeveer 300 verzen over die uniek zijn voor het boek Matteüs en zo’n 550 die uniek zijn voor het boek Lucas. Deze overeenkomst heeft tot de populaire theorie geleid dat Lucas en Matteüs een gezamenlijke bron hadden die voor beiden beschikbaar was. Dit document (of persoon of zelfs personen) wordt ‘Q’ (of ‘Quelle’, Duits voor ‘bron’ of ‘herkomst’) genoemd.
 
Het is van grote betekenis om op te merken dat zowel Matteüs als Lucas in de verzen die ze delen met Marcus en/of Q hun eigen schrijfstijl gebruiken. Elk van hen richt zich op een andere groep lezers en elk beschrijft details die duidelijk op een persoonlijke ervaring en/of andere ooggetuigenis wijzen! Er is veel gezamenlijk materiaal, maar elk evangelie schijnt verschillende informatie en details toe te voegen. Zelfs Marcus, waarvan men aanneemt dat dit het eerste evangelie was, heeft in een aantal verzen meer gedetailleerde beschrijvingen dan Lucas en Matteüs. De puzzel is dus veel gecompliceerder dan men in eerste instantie zou vermoeden.
Het auteurschap van het evangelie van Matteüs

Dit evangelie lijkt de zwakste aanspraak te maken op de naam die met het boek wordt geassocieerd. Vele aanknopingspunten wijzen naar de apostel Matteüs, maar er zijn tegenstrijdige waarnemingen. De conclusie dat Matteüs de schrijver is, blijft daarom enigszins speculatief; het is zoals sommigen zouden zeggen een weloverwogen inschatting. Laten we eens kijken naar wat we weten.
 
Externe bewijzen
• De kerkelijke overlevering heeft altijd Matteüs als de schrijver aanvaard. In samenhang hiermee moeten we niet vergeten dat hij tollenaar (ontvanger van tolgelden voor de Romeinse bezetters) was, een beroep dat in die dagen niet erg populair was. Als men later een naam zou hebben gekozen om voor het boek te gebruiken, zou dit feit alleen al hem een onwaarschijnlijke kandidaat hebben gemaakt.
• Al rond de jaren 120-130 n.Chr. (en volgens sommigen beweren zelfs al rond 110 n.Chr.3) schrijft Papias: ‘Matteüs heeft de goddelijke uitspraken in de Hebreeuwse taal samengesteld en iemand anders heeft ze zo goed mogelijk geïnterpreteerd.’
• En Irenaeus schrijft in Adversus Haereses (‘Tegen de ketters’) in 170-180 n.Chr.: ‘Matteüs bracht ook een geschreven evangelie aan de Joden uit, in hun eigen dialect, terwijl Petrus en Paulus in Rome preekten.’
 
Interne aanwijzingen
• Het evangelie is geschreven in goed ontwikkeld Grieks, maar niet zo gepolijst dat we mogen aannemen dat Grieks de moedertaal van de schrijver was. Dit komt overeen met het te verwachten taalniveau van een tollenaar uit de eerste eeuw met de bekwaamheid van een klerk in schrijfvaardigheid en beheersing van de Griekse taal.
• Door het hele boek heen is de schrijfstijl Joods, waaruit blijkt dat de schrijver zeer waarschijnlijk een Jood was. De Joodse nadruk blijkt onder andere uit de beschrijving van de stamboom van Jezus, de vele oudtestamentische citaten en de nadruk op vervulde profetieën over de Messias.
• In vergelijking met de andere evangeliën geeft Matteüs de meest uitvoerige beschrijving en details van Jezus’ preken en uitspraken. De meest bekende preek is ongetwijfeld de complete Bergrede zoals vastgelegd in Matteüs 5, 6 en 7. Dit zou ook kloppen met de bedrevenheid van Matteüs als klerk, waardoor hij mogelijk zelfs een vorm van stenografie heeft beheerst.
 
Argumenten tegen Matteüs als auteur
• Als de ooggetuige Matteüs de schrijver geweest zou zijn dan, zo stellen critici, zou hij aan het evangelie van Marcus (als bron) geen behoefte hebben gehad. Marcus was echter niet zijn enige bron, maar slechts één van vele. Omdat Marcus (zoals we later kunnen zien) hoogstwaarschijnlijk ‘Petrus’ vertolker’ was, is het eigenlijk best logisch dat Matteüs gebruikgemaakt heeft van de teksten van Marcus/Petrus als belangrijke bronnen van informatie. Zeker omdat Petrus één van de drie apostelen was (samen met Johannes en Jakobus) die het nauwst bij Jezus betrokken waren. Hij had immers het voorrecht gehad van speciale privébijeenkomsten met Jezus en was getuige geweest van unieke gebeurtenissen.
• De bovengenoemde referenties van Papias en Irenaeus wekken de indruk dat dit evangelie eerst in het Hebreeuws, en zelfs waarschijnlijker, in het Aramees was geschreven. Dit heeft tot de speculatie geleid dat Matteüs oorspronkelijk een versie in het Aramees heeft geschreven die later door een Griekse schrijver is afgemaakt.
 
Zoals de gerespecteerde Bijbelgeleerde Craig L. Blomberg over het auteurschap van Matteüs concludeerde:
 
Deze auteur, op zijn minst van het originele concept van dit boek (of één van zijn belangrijke bronnen), is naar alle waarschijnlijkheid de bekeerde tollenaar, ook wel Levi genoemd, die één van Jezus’ twaalf discipelen werd. Nogmaals: we presenteren deze conclusie met voorzichtigheid. Weinig hangt hiervan af. Noch inspiratie, noch apostolische autoriteit is afhankelijk van apostolisch auteurschap (zoals bijvoorbeeld ook het geval bij Marcus en Lucas) en de kerk was in staat om nauwkeurige informatie onafhankelijk van de apostolische kringen te bewaren.
              
Het auteurschap van het evangelie van Marcus

Ook dit evangelie is anoniem, maar we hebben een aantal steekhoudende vroege bewijzen voor Marcus als auteur:
 
Externe bewijzen
• Papias schreef rond 120-130 n.Chr. ( of zelfs nog vóór 110 n.Chr.): ‘Marcus, die de vertolker van Petrus geworden was, schreef nauwkeurig datgene op wat hij zich herinnerde. Het was echter niet in de exacte volgorde zoals hij de uitspraken en daden van Jezus beschreef. Want hijzelf had Jezus niet gehoord, noch had hij Hem vergezeld. Maar achteraf, zoals ik al zei, begeleidde hij Petrus, wiens instructies hij uitvoerde naar de behoeften [van zijn toehoorders], maar zonder de bedoeling om een reguliere beschrijving van de uitspraken van de Heer vast te leggen. Waardoor Marcus geen fouten maakte door sommige dingen op te schrijven zoals hij ze zich herinnerde. Want hij zorgde vooral voor één ding: niets te vergeten wat hij had gehoord én niets fictiefs aan de uitspraken toe te voegen.’ Uit dit citaat blijkt niet alleen dat het boek Marcus al bekend was in het begin van de tweede eeuw, het bevestigt ook de relatie van Marcus met de apostel Petrus.
• Een andere bevestiging vanuit de vroegchristelijke kerk komt van Irenaeus rond 170-180 n.Chr.: ‘Marcus, de vertolker en volgeling van Petrus begint zijn evangelieverhaal op deze manier.’
• Clemens van Alexandrië benadrukt nog verder de samenhang tussen Marcus en Petrus rond 195 n.Chr.: ‘Terwijl Petrus in Rome in het openbaar tegenover sommigen van Caesars gelijken het evangelie predikte en veel getuigenissen met betrekking tot Christus aanhaalde, opdat men in staat zou zijn datgene wat verteld werd en wat Petrus verkondigde goed te onthouden, schreef Marcus – de discipel van Petrus – het in zijn geheel op, wat resulteerde in wat nu als het evangelie van Marcus bekendstaat.’
• Waarschijnlijk het sterkste argument voor Johannes Marcus is de unanieme overtuiging van de vroege kerk dat Marcus de schrijver van dit evangelie was. Allen, behalve Augustinus, verklaren verder dat Marcus het in samenwerking met Petrus heeft geschreven. De verwijzing naar Marcus is zelfs nog significanter wanneer men zich realiseert dat hij geen prominent figuur in de vroege kerk was. Integendeel, zijn reputatie was danig aangetast doordat hij Paulus en Barnabas in het midden van de eerste evangelisatiereis had verlaten (Handelingen 13:13). Het is hoogst onwaarschijnlijk dat de kerk een evangelie aan hem zou hebben opgedragen zonder overtuigend bewijs dat hij dit ook inderdaad had geschreven. Als de vroege kerk een naam voor dit evangelie ‘verzonnen’ zou hebben, zou Marcus zeer zeker geen logische keuze zijn geweest.
 
Interne aanwijzingen
• Alleen in dit evangelie wordt de vlucht van een jonge man (Marcus zelf?) uit de tuin van Getsemané beschreven (Marcus 14:51-52).
• De gedetailleerde beschrijving van de ‘eetzaal’ in Marcus 14:12-16 (vergelijk Matteüs 26:17-19; Johannes 13:1-12) suggereert dat Marcus over zijn eigen huis schreef.
 
Het ontbreken van alternatieve kandidaten heeft veel Bijbelgeleerden ertoe geleid om Marcus als schrijver te accepteren. Andere geleerden beweren dat Marcus waarschijnlijk de schrijver is, maar dat technisch gezien het evangelie anoniem behoort te blijven.
Het auteurschap van het evangelie van Lucas en het boek Handelingen

Het boek Handelingen begint met: ‘Mijn eerste boek heb ik gemaakt, Teofilus, over al wat Jezus begonnen is te doen en te leren, tot de dag dat Hij werd opgenomen, nadat Hij aan de apostelen, die Hij had uitgekozen, door de Heilige Geest zijn bevelen had gegeven’ (Handelingen 1:1-2). Dit ‘eerste boek’, dat door de auteur wordt genoemd, is duidelijk het evangelie van Lucas, dat begint met: ‘Aangezien velen getracht hebben een verhaal op te stellen over de zaken, die onder ons hun beslag hebben gekregen, gelijk ons hebben overgeleverd degenen, die van het begin aan ooggetuigen en dienaren van het woord geweest zijn, ben ook ik tot het besluit gekomen, na alles van meet aan nauwkeurig te hebben nagegaan, dit in geregelde orde voor u te boek te stellen, hoogedele Teofilus, opdat gij de betrouwbaarheid zoudt erkennen der zaken, waarvan gij onderricht zijt’ (Lucas 1:1-4). Beide boeken zijn gericht aan dezelfde Teofilus (of Theofilus, letterlijk: ‘liefhebber van God’, wat een werkelijke persoon geweest kan zijn of een symbolische naam voor een christen) en dit maakt het aannemelijk dat Handelingen een vervolg is op het evangelie van Lucas. Het boek Handelingen begint waar het boek Lucas eindigt en de stijl en het taalgebruik van beide boeken lijken zo veel op elkaar dat zelfs de meest kritische Bijbelgeleerden het erover eens zijn dat beide boeken door dezelfde persoon zijn geschreven.
Ook is er grote overeenstemming dat Lucas (de niet-Joodse metgezel van Paulus, waarschijnlijk een arts, mogelijk uit Antiochië) de auteur is. Slechts een enkele scepticus doet een poging om te beredeneren dat Lucas niet de schrijver was. Laten we eens kijken naar wat we weten en hoe alle indicaties tot de conclusie leiden dat Lucas en Handelingen inderdaad allebei door de ‘geliefde geneesheer’ zijn geschreven.
 
Externe bewijzen
• Lucas is volgens de overlevering van de kerk altijd geassocieerd geweest met het auteurschap. Er is nooit een alternatief geopperd. Als een ‘verzonnen’ keuze zou Lucas niet logisch zijn omdat hij ten eerste geen Jood was (de enige niet-Joodse  – heidense – schrijver van een Bijbelboek) en ten tweede niet een van de eerste discipelen van Jezus was.
• Irenaeus schrijft in Adversus Haereses in 170-180 n.Chr.: ‘Ook Lucas, de metgezel van Paulus, schreef het evangelie in een boek.’ Soortgelijke verwijzingen kunnen in werken van Clemens van Alexandrië (ca. 195 n.Chr.) en Tertullianus (ca. 207 n.Chr.) worden gevonden.
• De Muratorische Canon (ca. 170-180 n.Chr.) luidt: ‘Het derde boek van het evangelie: naar Lucas. Deze Lucas was een geneesheer.’
• De gnostische ketter Marcion (ca. 140 n. Chr.) koos specifiek de naam Lucas voor zijn verkorte canon voor het Nieuwe Testament. Dit laat zien dat in die tijd het evangelie van Lucas onder zijn naam reeds bekend was.
 
Interne aanwijzingen
• Beide boeken zijn door een goed opgeleide, van oorsprong Griekse schrijver geschreven.
• Een belangrijk aanknopingspunt wordt gevormd door de ‘wij’-clausules. De auteur reisde met Paulus zoals blijkt  als de tekst in Handelingen verandert van een relaas in de derde persoon enkelvoud naar een relaas in de eerste persoon meervoud. Deze passages zijn Handelingen 16:10-17 (Paulus’ reis van Troas naar Filippi); Handelingen 20: 5-21:18 (Paulus’ reis van Filippi naar Jeruzalem) en ten slotte Handelingen 27:1-28:16 (Paulus’ reis van Caesarea naar Rome).
• Lucas werd door Paulus genoemd in Kolossenzen 4:14; 2 Timotëus 4:11 en Filemon:24. Paulus identificeert Lucas in het boek Kolossenzen als een geneesheer. 
Datering van de synoptische evangeliën

De datering van de synoptische evangeliën (Matteüs, Marcus en Lucas) is van groot belang. Immers, des te meer tijd er is verstreken tussen een gebeurtenis en het registreren ervan, des te groter is de kans dat de tekst afwijkt van de feitelijk gebeurtenis. De geschiedenis heeft aangetoond dat verhalen die meer dan één generatie na de gebeurtenis zijn opgeschreven zeer waarschijnlijk onderhevig geweest zijn aan legendevorming. Voorbeelden hiervan zijn de bekende verhalen van Koning Arthur en de ridders van de Ronde Tafel en de avonturen van Robin Hood. De verhalen over hun heldendaden zijn vele generaties nadat deze personen leefden opgeschreven. Gedurende deze lange tijd, waarin de verhalen van generatie op generatie mondeling zijn doorgegeven, werden ze verfraaid en nieuwe avonturen werden toegevoegd.  Hoogstwaarschijnlijk was er ooit een koning die Arthur werd genoemd en een ‘rebel’ die bekend was als Robin Hood, maar geen enkele geschiedkundige gelooft serieus dat ze alle heldendaden verricht hebben die we in de verhalen vinden. Legenden en mythen worden gevormd doordat gedurende een aantal generaties elke volgende verteller zijn draai aan het verhaal geeft en er mogelijk dingen aan toevoegt en/of dingen weglaat.
Hoe dichter we op betrouwbare wijze de evangeliën met de eigenlijke gebeurtenissen in verband kunnen brengen, des te zekerder kunnen we ervan zijn dat ze geschiedkundig betrouwbaar zijn. In dit verband is de uitdrukking ooggetuigenperiode belangrijk. Geschiedkundigen beschouwen deze periode als de tijdsduur die volgt op een gebeurtenis waarvan we veilig kunnen aannemen dat een significant aantal ooggetuigen nog in leven is en de gebeurtenis kan bevestigen. Voor de eerste eeuw wordt deze periode op veertig jaar geschat. Dit is een behoorlijk voorzichtige schatting, want ook in de dagen van Jezus werden mensen gemakkelijk vijftig, zestig of zelfs ouder. De periode van de kruisiging (33 n.Chr.) tot aan de verwoesting van Jeruzalem (70 n.Chr.) was redelijk vredig. De Joden werden weliswaar onderdrukt door de Romeinse bezetters, maar er waren geen buitensporige gewelddadigheden of massaexecuties. Nauwkeurige schattingen voor de levensverwachting van iemand in de eerste eeuw zijn niet beschikbaar, maar we weten de hoge leeftijd van sommige personen. Historisch betrouwbare informatie geeft bijvoorbeeld aan dat een van de bisschoppen (oudste of ouderling) van de vroege kerk, Polycarpus, ver in de tachtig was toen hij de martelaarsdood stierf in 156 n.Chr. Augustus Caesar (63 v.Chr.-14 n.Chr.), de Romeinse keizer die gedurende Jezus’ geboorte leefde, werd 76 jaar oud terwijl zijn opvolger Tiberius Caesar Augustus (42 v.Chr.-37 n.Chr.) een natuurlijke dood stierf op de leeftijd van 78.
Overvloedig bewijs geeft aan dat een groot aantal van de persoonlijke getuigen van Jezus’ leven en opstanding nog in leven waren gedurende de ooggetuigenperiode van 30-70 n.Chr. Evangelische Bijbelgeleerden dateren vaak de synoptische evangeliën in de periode 55-70 n.Chr., ongeveer tien jaar vroeger dan hun liberale tegenhangers die 65-90 n.Chr. prefereren. Laten we de redeneringen en argumenten hiervoor eens onderzoeken.
De synoptische theorie, die in het voorgaande werd beschreven, is bruikbaar voor het vaststellen van mogelijke data voor deze evangeliën. Dit is op basis van twee overwegingen:

Het boek Marcus was het eerste boek. Omdat zowel Lucas als Matteüs Marcus als bron gebruikten, moet zijn evangelie het eerste evangelie zijn geweest. Derhalve, indien we een laatst mogelijke datum voor de samenstelling van het boek Lucas en/of Matteüs kunnen vaststellen, kunnen we logischerwijs concluderen dat Marcus eerder was geschreven.
De boeken Lucas en Handelingen hebben dezelfde auteur. Omdat het boek Handelingen een vervolg is op het boek Lucas, betekent dit logischerwijs dat wanneer we Handelingen kunnen dateren, we de laatst mogelijke datum voor Lucas ook hebben vastgesteld, en omdat Marcus nog eerder was geschreven, hebben we ook de laatst mogelijk datum voor dit evangelie.
 
Kunnen we echter het boek Handelingen dateren? De meningen van de diverse Bijbelgeleerden variëren van het jaar 57 n.Chr. tot en met het jaar 150 n.Chr. Er zijn drie verschillende standpunten:
Handelingen werd vóór het jaar 65 n.Chr. geschreven. Het grootste deel van het boek houdt zich bezig met de bediening van Petrus en Paulus en veel van de actie richt zich op Jeruzalem en de zendingsreizen van Paulus. Ongetwijfeld heeft Lucas een poging gedaan om veel gebeurtenissen en historische details zo nauwkeurig mogelijk op te schrijven. De marteldood van Stefanus (Handelingen 7:54-60) en die van Jakobus (broer van Johannes, Handelingen 12:1-2) worden vermeld, en het boek eindigt met de arrestatie van Paulus in Rome (Handelingen 28:14-31) maar het zegt niets over de afloop van zijn gevangenhouding. Ook noemt het boek de dood van Paulus en Petrus niet (in het midden van de jaren 60 n.Chr.) of de steniging van Jakobus, Jezus’ broer (in ongeveer 62 n.Chr.). Handelingen vermeldt niets over de Joodse opstand tegen Rome (in het begin van het jaar 66 n.Chr.) en de verwoesting van Jeruzalem (70 n.Chr.). Hoe kan de schrijver deze gebeurtenissen over het hoofd zien terwijl ze belangrijker lijken te zijn dan menige gebeurtenis die wél is opgeschreven? Deze weglatingen bieden een sterk argument voor een datum van 60-62 n.Chr., zeker niet later dan 65 n.Chr., voor de samenstelling van het boek Handelingen. Voorstanders beroepen zich ook op de primitieve theologie van de toespraken van Petrus en het feit dat Lucas laat zien kennelijk niet vertrouwd te zijn met de brieven van Paulus. Ten slotte is het gebruik van de titel Zoon des mensen als naam voor Jezus een bevestiging voor deze vroegere datum, omdat al tegen het eind van de eerste eeuw voornamelijk de titel Zoon van God als naam voor Jezus werd gebruikt (zie bijvoorbeeld de namen voor Jezus in het evangelie van Johannes).
Handelingen is geschreven tussen 70-90 n.Chr., waarschijnlijk vóór 80 n.Chr. Wanneer we het evangelie van Lucas zo vroeg als het jaar 62 n.Chr. dateren, ontstaan er echter twee potentiёle problemen. Ten eerste zou dit evangelie kennis van de val van Jeruzalem in 70 n.Chr. kunnen suggereren. Lucas geeft drie voorzeggingen over de verwoesting van de stad (Lucas 19:41-44; 21:20-24; 23:28-31) weer. Critici beweren dat de nadruk die hierop wordt gelegd suggereert dat dit al had plaatsgevonden. Het tweede argument tegen een vroege datum voor het boek Lucas is de waarschijnlijkheid dat hij het evangelie van Marcus als een van zijn bronnen gebruikte. Irenaeus gaf aan dat Marcus zijn evangelie schreef gebaseerd op de memoires van Petrus en na het overlijden van Petrus. Deze tekst luidt: ‘(…) terwijl  Petrus en Paulus preekten in Rome en het fundament voor de kerk legden. Na hun vertrek gaf Marcus, de discipel en vertolker van Petrus, datgene wat door Petrus werd gepreekt aan ons in geschreven vorm door.’ Men veronderstelt dat Petrus en Paulus zijn geëxecuteerd tijdens de vervolgingen onder Nero in het midden van de jaren 60 n.Chr. Dit dateert Marcus na 65 n.Chr. en dus Handelingen zelfs later dan dat. Lucas heeft wellicht directe toegang tot Marcus gehad en heeft zijn evangelie vlak na Marcus samengesteld. Het is waarschijnlijker dat er wat tijd is verlopen tussen de twee evangeliën. Dat doet vermoeden dat het Lucas-evangelie na 70 n.Chr. en Handelingen gedurende de periode van 70-80 n.Chr. moet worden gedateerd.
Handelingen is na 90 n.Chr. geschreven. Een datum na 90 n.Chr. wordt niet meer serieus in beschouwing genomen. Het auteurschap van Lucas, die volgens de overlevering al eerder als martelaar was gestorven, maakt dit tot een irrealistisch alternatief.  Zowel Handelingen als het Lucas-evangelie bewijzen toegang tot goede bronnen gehad te hebben – ooggetuigen waren tegen deze tijd niet meer beschikbaar. Ten slotte, Clemens van Rome, Ignatius en Polycarpus refereren allen aan Lucas/Handelingen, wat een datum voor 90 n.Chr. bevestigt en waarschijnlijk zelfs vroeger dan 80 n.Chr.. Bijbelgeleerden die deze late datum ondersteunen, zijn absoluut in de minderheid.
Deze lange maar belangrijke discussie leidt tot twee mogelijke alternatieven:
(1) Marcus  (50-60) < Lucas (55-62) < Handelingen (60-62, 65 als uiterste datum)
(2) Marcus  (65-70) < Lucas (70-75) < Handelingen (70-80, 90 als uiterste datum)
 
Voor het evangelie van Matteüs wordt er unaniem aangenomen dat dit ver vóór het jaar 100 n.Chr. is samengesteld. Als Matteüs het hele evangelie geschreven zou hebben, dan zou een datum van 55-70 n.Chr. logisch zijn, vooral als we het eerdere citaat van Irenaeus accepteren: ‘Ook Matteüs bracht een geschreven evangelie voor Joden, in hun eigen dialect uit, terwijl Petrus en Paulus in Rome preekten’ (nadruk toegevoegd). Men neemt aan dat Petrus en Paulus aan het begin van de jaren 60 n.Chr. in Rome waren. Deze vroege datum wordt ook gestaafd door de overweldigende hoeveelheid citaten en referenties uit het evangelie van Matteüs die in veel brieven van de vroege kerkleiders gevonden zijn.
De theorie dat Matteüs de oorspronkelijke versie van zijn evangelie in het Aramees schreef en later door een andere schrijver heeft laten afmaken, sluit ook goed aan bij deze feiten. Dit zou de oorspronkelijke versie gemakkelijk tussen de jaren 55-65 n.Chr. plaatsen en het hele evangelie vóór het jaar 90 n.Chr. of zelfs 100 n.Chr.
Samenvattend concluderen we dat beide opties voor de datering van Marcus, Lucas en Handelingen alsmede de twee alternatieven voor de datum van Matteüs worden ondersteund door steekhoudende argumenten. De meningen van Bijbelgeleerden zijn hierover ongeveer gelijk verdeeld. Voor welke optie we ook gaan, het laat zien dat alle drie synoptische evangeliën en Handelingen geschreven zijn:

• binnen 20-60 jaar na de opstanding van Christus;
• tijdens het leven van talrijke ooggetuigen van de bediening van Jezus, zijn kruisiging en opstanding,
• te dicht bij de gebeurtenissen voor het vormen van mythen en legenden;
• vroeg genoeg om Matteüs, Marcus en Lucas als auteurs te kunnen bevestigen.
Datering v/h Nieuwe Testament

Windmill Ministries
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu