6.4 De 'verloren boeken' waren nooit zoek - Gefundeerd Geloof

Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

Is de Bijbel waar? > Verloren Boeken?
☼ Bewijsstuk 14: De verloren boeken waren nooit verloren
De ‘apocriefe drukkerij’ produceerde, zoals eerder reeds vermeld, vele honderden alternatieve ‘evangeliën’, ‘handelingen’ en ‘openbaringen’ gedurende de eerste eeuwen van het christendom. In de negende eeuw vermeldde Photius 280 van dit soort teksten en sindsdien zijn er nog veel meer ontdekt. Sommige, meer recentelijk ontdekte gnostische ‘evangeliën’ zijn bestempeld als potentiële nieuwe openbaringen. Het bestaan van de meeste is echter al eeuwen bekend en die werden als irrelevant beschouwd. We zullen een overzicht bespreken van de meest ‘beroemde’ evangeliën en we zullen ze groeperen volgens de aan het begin van dit hoofdstuk genoemde criteria.
 
Geschreven ver na de teksten van het Nieuwe Testament (na 100 n.Chr.):
Het Evangelie van Judas (midden tot eind tweede eeuw). Dit evangelie was bekend bij Irenaeus en Epiphanius (ca. 315-403 n.Chr.), de bisschop van Salamis. Het is geproduceerd door een gnostische sekte en heeft mogelijk ‘een lijdensverhaal over het mysterie van het verraad’ bevat, dat verklaart hoe Judas door zijn daden ‘de redding van de gehele mensheid mogelijk maakte’. De enige beschikbare gnostisch herschreven tekst uit de vierde eeuw karakteriseert Judas als Jezus’ favoriete en meest vertrouwde discipel en legt zijn verraad uit als een onderdeel van Gods plan.
Het Evangelie van Filippus (tweede of derde eeuw). Dit gnostische evangelie was slechts bekend door een citaat totdat een latere tekst werd gevonden in Nag Hammadi. Het lijkt een verzameling van diverse materialen te zijn en het is het meest bekend door de beschrijving van sacramenten. In de roman De Da Vinci Code wordt een vers uit dit evangelie gebruikt om de nauwe relatie tussen Maria Magdalena en Jezus als ‘de bevoorrechte discipel’ te ‘bewijzen’.
Het Evangelie der Waarheid (tweede eeuw). Dit is een andere gnostische tekst gevonden bij Nag Hammadi. Het reflecteert het belang van het werk voor de vergeving van zonden door Jezus vanuit een speciale theologische (gnostische) invalshoek.
Het Evangelie van Maria (Magdalena) (tweede eeuw). Ook dit is een gnostisch ‘evangelie’ dat gevonden is bij Nag Hammadi. Er is slechts een beperkt gedeelte bewaard gebleven, dat kan worden verdeeld in twee secties. De eerste sectie beschrijft een dialoog tussen de opgestane Heiland en de discipelen. Het restant is Maria’s beschrijving van speciale openbaringen die Jezus aan haar heeft toevertrouwd. De Da Vinci Code refereert aan een vers dat ‘Petrus klagend over de nauwe band tussen Maria en Jezus’ zou beschrijven.
Het Kindheidsevangelie van Thomas (tweede eeuw). Dit is een populair verhaal over de kindertijd van Jezus tot aan twaalfjarige leeftijd. Het beschrijft Hem als een machtige jongen met alle eigenschappen van een bovennatuurlijke wonderdoener en leraar. Het vond waarschijnlijk zijn oorsprong in niet-Joodse christelijke kringen in de tweede eeuw en het heeft geen enkele relatie met het Evangelie van Thomas.
 
Authentieke geschriften van voor 100 n.Chr., echter niet van apostolische bronnen
Het Evangelie van de Hebreeën (ca. 65-100 n.Chr.). Dit is waarschijnlijk het oudste niet-canonieke evangelie. De tekst heeft slechts overleefd in een paar fragmentarische citaten van de vroege kerkleiders: Clemens van Alexandrië (ca. 195 n.Chr.) and Origenes (ca. 228 n.Chr.). Volgens Hiëronymus (de schrijver/vertaler van de Latijnse Vulgaat) wordt dit door sommigen ‘de ware Matteüs’ genoemd. Dit lijkt onwaarschijnlijk omdat de genoemde citaten weinig overeenstemming vertonen met het canonieke Matteüsevangelie.
Clemens van Rome, Ignatius, Polycarpus, de Didache, Brief van Barnabas. Dit zijn alle reeds eerder genoemde geschriften van de vroege kerk.
 
Mogelijk geschreven vóór 100 n.Chr. maar beschouwd als niet relevant of ketterij
Het Evangelie van Thomas (tweede of eind van de eerste eeuw). Dit is een van de Nag Hammadidocumenten, maar veruit het bekendste alternatieve evangelie. De datering is cruciaal. Dit weten we zeker: ‘Ten minste één van deze Griekse fragmenten komt van een manuscript dat was geschreven vóór 200 n.Chr., dus de Griekse versie van dit evangelie was in Egypte al in de tweede eeuw in gebruik.’ De meeste Bijbelgeleerden dateren dit evangelie aan het begin van de tweede eeuw, maar sommige beredeneren een datum van midden tot laat eerste eeuw. Sommigen hebben dit zelfs ‘Het vijfde Evangelie’ genoemd. De schrijver zou Judas Thomas Didymus, of Thomas ‘de tweeling’ geweest zijn, een van de apostelen van Jezus.
Het Evangelie van Thomas is niet in verhaalvorm, zoals de canonieke evangeliën, maar het is een verzameling van 114 uitspraken die toegekend zijn aan Jezus. Vele ervan tonen indrukwekkende overeenkomsten met gedeelten van de synoptische evangeliën, maar lijken een gnostische wending gekregen te hebben.
Het grote probleem met deze tekst is dat de Nag Hammadiversie de enige compleet bewaard gebleven tekst is. Het is bekend dat dit een vertaling is uit de periode 350-400 n.Chr. die significante gnostische redactie heeft ondergaan (de tekst is herschreven, zoals de meeste of zelfs mogelijk alle documenten uit de Nag Hammadibibliotheek). De vroegste Griekse tekst dateert van rond het jaar 200, maar is zo gefragmenteerd dat reconstructie van de originele tekst niet mogelijk is. De volgende illustratie vergelijkt enkele verzen van Matteüs met Gezegde 2 uit een Grieks fragment uit de derde eeuw en een Koptische Nag Hammaditekst uit de vierde eeuw. Let op hoe de tekst ‘evolueert’ tussen de vertalingen:
 
Matteüs 7:7-8 en 11:28: ‘Seek and you will find....he who seeks finds....Come to me.....and I will give you rest"
(‘Zoekt en gij zult vinden (…) wie zoekt, vindt (…). Komt tot Mij (…) en Ik zal je rust geven.’)
Gezegde 2 (zoals gevonden in een derde eeuws Grieks fragment): ‘Let him who seeks not cease (seeking until) he finds; and when he finds (he will) be astounded, and having been (astoun)ded, he will reign; an(d reigning), he will (re)st.’
(‘Laat hem die zoekt niet stoppen [te zoeken totdat] hij vindt; en als hij vindt [zal hij] ontzet zijn, en als hij ontzet is geweest, dan zal hij heersen; en [heersende] zal hij rusten.’)
Gezegde 2 (zoals gevonden in de vierde eeuwse Koptische tekst): ‘He who seeks should not stop seeking until he finds; and when he finds, he will be bewildered (beside himself); and when he is bewildered, he will marvel, and will reign over the All.’
(Hij die zoekt moet niet stoppen met zoeken totdat hij vindt; en als hij vindt, zal hij verbijsterd zijn [buiten zichzelf]; en als hij verbijsterd is, zal hij verwonderd zijn en hij zal heersen over het Al.)
 
 
Het Evangelie van Thomas zou kunnen dateren uit dezelfde periode als het Nieuwe Testament. Het zou zelfs beschikbaar geweest kunnen zijn als bronmateriaal (zoals Q) voor de schrijvers van de canonieke evangeliën. Echter, een vergelijking van de Nag Hammaditekst met een beperkt Grieks fragment toont duidelijke tekenen van gnostische redactie. Als deze worden verwijderd dan lijkt de overgebleven tekst niets toe te voegen aan wat wordt onderwezen in het Nieuwe Testament.

Het Evangelie van Petrus (waarschijnlijk tweede eeuw, sommigen beweren tweede helft van de eerste eeuw). Origenes (ca. 200 n.Chr.) en Eusebius (ca. 300 n.Chr.) verwijzen beiden naar dit evangelie, maar geven geen citaten. De oudst bewaard gebleven tekst is van een manuscript uit de achtste of negende eeuw dat in 1886 werd ontdekt. Het is een passieverhaal dat het lijden en de dood van Christus beschrijft. Het lijkt gebaseerd te zijn op de synoptische evangeliën, en is niet noodzakelijkerwijs in strijd met deze verhalen, met uitzondering van enige ‘docetische’ nuances (waarschijnlijk latere toevoegingen tijdens het kopiëren). Docetisme is het door de vroege kerk veroordeelde geloof dat Jezus’ fysieke lichaam en de kruisiging slechts een illusie waren; oftewel, Jezus’ lichaam en dood leken slechts echt, in werkelijkheid was Hij een pure geest en kon daarom niet sterven.
Het Evangelie van Petrus vermeldt diverse details die in strijd zijn met het Nieuwe Testament. Deze zijn onder andere:
• Pilatus was onschuldig aan de dood van Jezus en alleen de Joden dragen de verantwoordelijkheid.
• Jezus voelde geen pijn tijdens de kruisiging.
• Jezus refereerde aan de Vader als ‘mijn kracht’. En de Heer riep met een luide stem: ‘Mijn kracht, mijn kracht, U hebt mij verlaten!’
• Jezus’ ‘broers en zusters’ waren uit een eerder huwelijk van Jozef; een opvatting die ook reeds lang door de Rooms-Katholieke Kerk werd gehuldigd.
Daarnaast bevat het Evangelie van Petrus een uitgebreide en duidelijk opgeblazen beschrijving van de opstanding van Jezus.
Het is wel mogelijk, maar niet waarschijnlijk, dat het was geschreven rond dezelfde tijd als de nieuwtestamentische evangeliën. De vroege kerkleiders hebben het echter niet genoemd, noch hebben ze eruit geciteerd. In feite is het niet eens overwogen om in de canon opgenomen te worden. De beschikbare tekst staat vele eeuwen af van het origineel en is waarschijnlijk aangepast door docetische invloeden.

Q (voor Matteüs en Lucas). Voor de volledigheid moeten we op deze lijst ook de zogenaamde Q-bron vermelden. Hoewel het niet noodzakelijkerwijs een geschreven bron behoeft te zijn – het kan ook een persoon of personen geweest zijn – zou het tot het midden van de eerste eeuw teruggaan. Sommigen waren er snel bij om het Evangelie van Thomas als Q te identificeren, maar dat wordt niet meer als een serieuze optie beschouwd.
 
Conclusie
Zoals we hebben gezien, suggereert het tromgeroffel over de ‘verloren boeken’ veel meer dan er werkelijk aan de hand is. Jawel, documentaires over de Bijbel op kabel- en satelliet-tv vermelden graag de ‘verloren’ boeken. En inderdaad, als je een boekwinkel binnengaat, dan zie je nogal wat schappen die vol staan met deze ‘nieuwe ontdekkingen’. Maar we moeten ons toch afvragen hoeveel ervan voortkomt uit objectieve studie en hoeveel te maken heeft met persoonlijke voorkeuren en/of het realiseren van betere verkopen.
De objectieve reconstructie van de geschiedenis en het beschikbare bewijs tonen aan dat de vroegchristelijke kerk deze ‘verloren boeken’ goed kende. Zij besloot echter om ze niet op te nemen in het canonieke Nieuwe Testament, gebaseerd op zorgvuldige overwegingen: ze werden later geschreven, niet door apostelen, veel waren zelfs ketterij en/of bevatten zwaar overdreven verhalen.
De beschikbare ‘verloren’ teksten van vandaag komen voornamelijk uit de vierde eeuw door de gnostische Koptische vertalingen uit de Nag Hammadibibliotheek. Dit zijn geen betrouwbare vertalingen en kopieën van de originele Griekse teksten uit de tweede eeuw. Ze zijn bewust gewijzigd om beter aan te sluiten bij gnostische opvattingen.
Een eerlijke en zorgvuldige analyse van de ‘verloren boeken’ biedt slechts eens te meer een illustratie van de betrouwbaarheid van de canonieke nieuwtestamentische documenten.
 
Windmill Ministries
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu