4.2 Brieven van de Leiders van de Vroege Kerk - Gefundeerd Geloof

Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

Is de Bijbel waar? > NT Teksten
☼ BEWIJSSTUK 8: BRIEVEN VAN DE LEIDERS VAN DE VROEGE KERK
Een andere belangrijke bevestiging voor de autoriteit van ons Nieuwe Testament is het enorme aantal citaten dat we in brieven en andere geschriften van de leiders van de vroege kerk kunnen vinden. Tijdens zijn onderzoek vond Dean Burgon meer dan 86.000 citaten uit deze onafzienbare hoeveelheid informatie. Harold J. Greenlee wijst erop dat ‘deze citaten zo uitgebreid [zijn] dat het Nieuwe Testament vrijwel zonder gebruik van enig ander nieuwtestamentisch geschrift hieruit zou kunnen worden samengesteld’.
Ondanks deze grote hoeveelheid citaten moeten de brieven van de vroege kerk met voorzichtigheid worden benaderd. De leiders van de vroege kerk hadden over het algemeen geen toegang tot veel geschreven materiaal van het Nieuwe Testament. Als gevolg daarvan werd vaak nogal vrij geciteerd (sommige schrijvers waren wél heel nauwkeurig), alhoewel de intentie en boodschap van de originele tekst correct werd weergegeven. Daarnaast maakten sommige schrijvers fouten of waren ze soms zelfs geneigd opzettelijk veranderingen aan te brengen. Daarom is de zuiverheid van de citaten niet voldoende om gebruikt te kunnen worden voor een nauwkeurige analyse van de tekstuele varianten van het Nieuwe Testament.
De correspondentie van de vroege kerk is echter van groot belang om twee andere redenen:
 
Vroege datering van het Nieuwe Testament: De citaten uit nieuwtestamentische teksten – en met name de evangeliën en de brieven van Paulus – uit brieven die dateren uit het vroege begin van de tweede eeuw, of zelfs tegen het einde van de eerste eeuw, bevestigen dat deze originele teksten zijn geschreven in de vroege tweede helft van de eerste eeuw, gedurende de eerste generatie na de dood van Christus.
Vroege acceptatie als heilige Schrift: Citaten van kerkleiders uit de evangeliën en brieven van zo’n vroege datum getuigen van de wijdverspreide erkenning dat deze teksten behoorden tot een informeel geaccepteerde canon van het Nieuwe Testament.
Een overzicht van de brieven van de vroege kerk
Hier volgt een overzicht van de belangrijkste brieven van de vroege kerkleiders uit wat vaak de tijd van de Apostolische Vaders (70-150 n.Chr.) en Vroege Kerkvaders (150-300 n.Chr.) wordt genoemd, inclusief wat achtergrondinformatie over de schrijvers:
 
De brief van Clemens van Rome aan de kerk in Korinte (ca. 95-97 n.Chr.). Clemens (ca. 30-100 n.Chr.) kwam waarschijnlijk uit Rome en had een niet-Joodse achtergrond. Als discipel van Paulus was hij waarschijnlijk met Paulus in Filippi (57 n.Chr. – hij wordt met name genoemd in Filippenzen 4:2) en later in Rome. Clemens, een bisschop (ouderling) in Rome, schreef aan de kerk in Korinte (zoals Paulus dat vóór hem had gedaan). Het is heel goed mogelijk dat dit de vroegste christelijke brief is naast het Nieuwe Testament. Clemens citeerde het Oude Testament uitgebreid als de heilige Schrift en ook refereerde hij aan de woorden van Jezus zoals die te vinden zijn in de boeken van Matteüs, Marcus en Lucas. Hij citeerde uit het boek Romeinen, 1 Korintiërs en Hebreeën. Zijn brieven leveren ook een belangrijke bevestiging van het martelaarschap van de apostelen Petrus en Paulus en suggereren een zendingsreis van Paulus naar de ‘westelijke grenzen’ (Spanje?).
De zeven brieven van Ignatius (martelaarsdood gestorven in ca. 107 n.Chr.). Ignatius van Antiochië schreef zeven brieven terwijl hij onder gewapende escorte onderweg was naar Rome waar hem de martelaarsdood wachtte (ca.107 n.Chr.). Hij schreef aan de gemeenten in de plaatsen waar hij doorheen trok: Philadelphia en Smyrna; en aan gemeenten die hem afgevaardigden stuurden om hem op zijn laatste reis te bezoeken: Efeze, Tralles en Magnesia. Hij stuurde een brief vooruit naar de gemeente in Rome om te voorkomen dat de autoriteiten tussenbeide zouden komen (om zijn executie te verhinderen). Ten slotte schreef hij ook aan Polycarpus, de bisschop van Smyrna. Zijn verwijzingen naar het Nieuwe Testament waren óf losse citaten die hij zich wist te herinneren óf zinspelingen, en ze kwamen uit de boeken Matteüs, Lucas en Johannes alsook uit Romeinen, 1 Korintiërs, Galaten, Efeziërs, Filippenzen, Kolossenzen en 1 Tessalonicenzen. Sommigen claimen ook verwijzingen naar of zinspelingen op andere brieven van Paulus, Hebreeën, Jakobus en 1 Petrus.
De brief van Polycarpus aan de Filippenzen (ca. 115 n.Chr.). Polycarpus van Smyrna (ca. 70-156 n.Chr.) werd geboren in een christelijke familie en was waarschijnlijk een discipel van de apostel Johannes. Het verhaal over zijn dood, zoals dat is beschreven in een brief van de kerk uit Smyrna aan de kerk van Filippi, is het eerste verslag van een martelaarschap in de brieven van de vroege kerk. Zijn brief aan de Filippenzen is bewaard gebleven en toont sterke apostolische invloeden. Hij citeert talrijke keren uit de boeken Matteüs, Marcus, Handelingen, Romeinen, 1 en 2 Korintiërs, Galaten, Efeziërs, Filippenzen, 1 en 2 Timotëus, 1 Petrus (10 keer) en 2 Johannes.
De brief van Barnabas (ca. 100 n.Chr.). De schrijver van deze brief was waarschijnlijk een Alexandriaanse Jood uit de tijd van Trajan en Hadrian. Zijn naam is misschien Barnabas geweest, maar hij was naar alle waarschijnlijkheid niet dezelfde Barnabas die we kennen uit het boek Handelingen. Wie deze brief ook geschreven heeft, hij wordt in het algemeen aan het eind van de eerste eeuw gedateerd. Norman Geisler dateert deze brief zelfs rond 70-79 n.Chr.20 Er zijn diverse citaten uit Matteüs en de brief bevat diverse losse aanhalingen uit de boeken Johannes, Romeinen en 2 Petrus.
De Herder van Hermas (ca. 115-140 n.Chr.). Deze tekst was door een zekere Hermas uit Rome geschreven in de periode 140 en 150 n.Chr. ‘Vrije’ citaten vanuit het geheugen en zinspelingen op het Nieuwe Testament zijn in dit schrijven duidelijker aanwezig dan in vroegere werken. Alle drie delen van de Herder citeren het Nieuwe Testament, inclusief Matteüs en Marcus en ook brieven zoals 1 Korintiërs, Hebreeën, Jakobus, 1 Petrus en 1 Johannes.         
De Didache (ca. 100-150 n.Chr.). De Didache, of Het onderwijs van de twaalf apostelen is pas in 1873 ontdekt en is tien jaar later gepubliceerd. Er is geen datum bekend, maar interne analyse duidt op de eerste helft van de tweede eeuw. De Didache werd alom in de vroege kerk gebruikt als handboek. Het patroon van losse citaten en zinspelingen is gelijk aan dat van de Herder. Talrijke verwijzingen naar de boeken Matteüs, Marcus en Lucas demonstreren het wijdverbreide gebruik van de evangeliën tegen het midden van de tweede eeuw. Andere citaten betreffen de boeken Romeinen, 1 Korintiërs, Hebreeën, 1 Johannes en Judas.
Papias (ca. 60-130 n.Chr.). De informatie betreffende Papias van Hierapolis en zijn werk is geleverd door Eusebius van Caesarea en Irenaeus van Lyon. Volgens Irenaeus had Papias de apostel Johannes horen preken en was hij bekend met Polycarpus. Eusebius vermeldde zijn Uitleg van de uitspraken van de Heer. Papias beweerde dat de evangelist Marcus Jezus nooit in het echt had gehoord, maar dat hij een tolk van Petrus was. Hij gaf een nauwkeurig verslag van alles wat hij zich van de preken van Petrus kon herinneren. Papias bevestigde ook dat Matteüs de uitspraken van Jezus in het Hebreeuws schreef. Irenaeus begreep hieruit dat dit refereerde aan hebraïsmen in het Matteüs-evangelie, ofschoon Origenes dacht dat dit betekende dat Matteüs het evangelie oorspronkelijk in het Hebreeuws had geschreven. Het belang van Papias als een vroege getuige voor het bestaan en het auteurschap van zowel het boek Matteüs als het boek Marcus mag niet worden onderschat. Van oudsher zijn Papias’ brieven tussen 120-130 n.Chr. gedateerd, alhoewel er ook overtuigende argumenten aangevoerd kunnen worden voor de stelling dat de datum zelfs vóór 110 n.Chr. heeft gelegen.
Justinus de Martelaar (ca.100 – martelaarsdood gestorven in 165 n.Chr.). Justinus, alhoewel van Griekse afkomst, werd in Palestina dicht bij de moderne stad Nabloes in Samaria geboren. Gedurende een periode onderwees hij christelijke filosofie in Efeze, vanwaar hij in 135 n.Chr. vertrok en naar Rome ging. Hier onderwees en schreef hij totdat hij tijdens het bewind van Marcus Aurelius de martelaarsdood stierf. Justinus was een van de eerste apologeten (geloofsverdedigers). Slechts twee van zijn drie verhandelingen zijn bewaard gebleven: zijn eerste Apologia (het tweede is misschien niet authentiek) en zijn Dialogus cum Tryphone (Dialoog met Tryphone). Er zijn meer dan 330 citaten van het Nieuwe Testament in zijn werk aangetroffen, met daarnaast nog 266 toespelingen erop. 
Andere grote namen uit de vroege kerk zijn Clemens van Alexandrië (ca. 150-215), Tertullianus (ca.160-220),  Hippolytus (ca. 170-236), Origines (ca. 185-254) en Cyprianus (ca. 195-258). Een groot aantal van hun geschriften is bewaard gebleven en duizenden citaten van het Nieuwe Testament kunnen hierin worden herkend. Meer dan 36.000 citaten uit het Nieuwe Testament zijn in geschriften gevonden voordat het Concilie van Nicea in 325 n.Chr. plaatsvond.
Het bovenstaande bevestigt dat het Nieuwe Testament al voor 95-100 n.Chr. beschikbaar was, dus 65-70 jaar na de opstanding van Christus. Deze brieven helpen ook met het vaststellen van de absoluut oudste datum waarop deze documenten zijn geschreven. We zullen de datering van de evangeliën in een later hoofdstuk bespreken. Op dit moment gebruiken we de brieven om vast te stellen dat op zijn minst 20 van de 27 boeken van het Nieuwe Testament (behalve Titus, Filemon, 2 Petrus, 1 en 2 Johannes, Judas en Openbaring) wijd en zijd circuleerden in de vroege kerk rond het jaar 100 n.Chr. 

New Testament Confirmations from the Earliest Writers

 

 

Clement of Rome

Bishop of Rome

Ignatius

En route to Rome

Polycarp

Bishop of Smyrna

To who:

Corinth

7 letters

Philippi

When:

95 AD

110 AD

115 AD

Quotes from:

Matthew, Mark, Luke, Romans,

1 Corinthians, Hebrews

Matthew, Luke, John, Romans, Colossians

 1 Corinthians, Galatians, Ephesians,

Philippians,

1 Thessalonians

Matthew, Mark, Acts, Romans,

1&2 Corinthians, Galatians, Ephesians, Philippians, 1&2 Timothy, 1 Peter, 2 John

Refers to:

John, Acts, James, 1 Peter, Ephesians

Hebrews, James,

1 Peter

 

Together they confirm the existence of 20 of the 27 NT books by 115 AD.

Windmill Ministries
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu